Het Nederlandse Landschap

Geografische herkomst van de boerderijtypes

(c) Atlas van Nederland, ontwikkelingen tot 1850

In enkele in de 19e eeuw ingepolderde gebieden, zoals de Haarlemmermeerpolder, namen de boeren die zich daar vestigden boerderijtypen mee uit de gebieden waar ze vandaan kwamen. In de 20e eeuw gebouwde boerderijen zijn in het algemeen van een modern type zonder veel geografische verschillen. Alleen in de Noordoostpolder komt een apart type - een huis met een voor die polder kenmerkende losstaande schuur - voor.

De noordelijke groep (Fries)
stolpboerderijen
kop-hals-romp- en in Zuid- en Oost-Friesland stelpboerderijen
overgangstypes met opgenomen schuur en Groninger kop-hals-romp boerderijen
Oldambtster boerderijen
Amelandse- en Terschellinger ontwikkelingen

De middengroep (Saksisch)
middenlangsdeeltypes met tas op het erf
Drentse- en Noordwest-Overijsselse dwarsdeeltypes
ontwikkelingen onder invloed van de Friese schuur
Stellingwerfse- en Staphorster dwarsdeeltypes
Goois dwarsdeeltype
ontwikkelingen onder invloed van de dwarsdeelschuur
Overmase- en Alblasserwaardse dwarsdeeltypes
voergangtypes

De zuidelijke groep (Frankisch)
langgeveltypes
Midden-Limburgse ontwikkelingen
types met samengevoegde delen

De zuidwestelijke groep (Zeeuws en Vlaams)
Zeeuwse schuur
Vlaamse schuur
ontwikkelingen onder invloed van de Vlaamse schuur

Anno 1850 nog niet ingepolderd of land zonder agrarisch gebruik