Het Nederlandse Landschap

Dobben en pingoruïnes

Nederland telt vele natuurlijke vennen en meertjes. De geschiedenis daarvan gaat in veel gevallen terug tot de laatste ijstijd. In onze streken heerste een poolklimaat waarin begroeiing vrijwel volledig ontbrak. Grote hoeveelheden zand konden vrijerlijk heen en weer waaien waardoor een zeer reliëfrijk dekzandlandschap ontstond. In de uitgeblazen laagten bleef later op veel plaatsen water staan. We noemen deze natuurlijke meertjes dobben. In de koudere perioden van de laatste ijstijd was de bodem in ons land permanent bevroren. Onder deze extreme omstandigheden ontstonden bijzondere terreinvormen zoals pingo's: flinke heuvels die ontstaan wanneer een almaar groeiende ondergrondse ijsklomp de grond erboven omhoogduwt. Bij het afsmelten van het ijs kan de erop liggende grond naar beneden glijden. Wat overblijft is een omwalde, vaak deels met water gevulde laagte, pingoruïne genaamd. Bij het instandhouden van dobben & pingoruïnes moeten keuzes worden gemaakt. Wanneer er niets wordt gedaan groeien deze meertjes in de loop der tijd vanzelf dicht. Daarmee komt niet alleen de herkenbaarheid maar in veel gevallen ook het voortbestaan van deze natte herinneringen aan een koud verleden in het geding. Met name in agrarisch gebied is het gevaar groot dat de verlandde meertjes op termijn volledig in het omringende cultuurland worden opgenomen. Soms is het verlanden een natuurlijk proces, waarbij we onszelf de vraag moeten stellen of ingrijpen gewenst is. Veel vaker echter wordt het verlanden veroorzaakt door menselijk handelen zoals het storten van afval of een overmatige toevoer van stikstof en fosfaten, afkomstig van het omliggende cultuurland. Wanneer we in dergelijke gevallen het verlanden een halt toe willen roepen zijn beheerswerkzaam-heden zoals het afdammen of omleggen van toe- en afvoersloten of zelfs het opschonen en uitbaggeren van de laagte (uiteraard met respect voor het oorspronkelijke profiel) onontkoombaar.

© Landschapsbeheer Nederland