| Aa | Beek of meertje (van Middeleeuws Duits woord 'aha' = water) |
| Aag | Friese vorm van oog, laag gelegen weiland |
| Aanbrengertje | Weidemolen van het type wipmolen voor het onderbemalen van een weiland, voor het eerst toegepast in 1842 aan de Zaan. Net als de spinnekop en de tjasker eigendom van een boer. Dit type molen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. Aanbrengertjes wordt in Friesland ook wel 'Hollandske moontsjes' genoemd. |
| Aanplempen | Het vergroten van het landoppervlak door materiaal in het water de storten. |
| Aanwas | Natuurlijke uitbreiding van gronden door aanslibben van materiaal (sedimentatie) tegen een dijk of kust of een binnenbocht van een rivier. Een variant op aanwas is opwas: een zandbank, plaat of schor die midden in het water ontstaat. |
| Aardappelkelder | Klein halfondergronds huisje dat vroeger op vrijwel ieder boerenerf voorkwam. Aardappelen konden hier 's winters vorstvrij bewaard worden. |
| Aardappellandje | Zichtbaar overblijfsel van akkertjes in de duinen, waar veel bewoners van de duinstreek tot de Tweede Wereldoorlog duinaardappelen, groente en graan verbouwden. Vlak landje met walletjes. Zie ook kroft. |
| Abrikozenmuur | Zie slangenmuur. |
| Abschnittsmotte | Kasteelheuveltje in Zuid - Limburg dat ontstaan is door de afgraving van een deel van een helling waardoor het heuveltje van de rest van de helling wordt afgesneden. |
| Acces | Hoger gelegen weg of terreinstrook als onderdeel van een vestingwerk die door een voor de aanval ongeschikt terrein voert, bijvoorbeeld een onderwaterzetting. Het voornaamste natuurlijke acces van de Nieuwe Hollandse Waterlinie was de Houtense Vlakte, een hoger gelegen rivierstroomrug ten oosten van de stad Utrecht. Ten Oosten van Utrecht zijn daarom in de jaren '20 van de 19e eeuw veel forten gebouwd. Met de aanleg van spoor- en wegdijken groeide het aantal accessen. Om deze te verdedigen kwamen er nieuwe verdedigingswerken. De infrastructuur had ook gevolgen voor het mogelijke waterpeil van de inundaties, die steeds meer werden doorsneden. Vooral de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal had grote gevolgen. Om het kanaal tijdens inundatie onbevaarbaar te maken en water te behouden kwam er een plofsluis. Deze lag vol zand en grind. Bij een aanval kon de onderkant tot ontploffing worden gebracht en was het kanaal gestremd. |
| Achterdijk | Lage dijk aan achterzijde van een eerste ontginning (van 100 meter breed en 1.250 meter lang), die de de ontginning moest beschermen tegen het hoger gelegen veen erachter (waterstaatkundige functie). Ook achterkade of landscheiding genoemd. |
| Achterkade | Zie achterdijk. Kan echter ook een andere benaming zijn voor houkade, bijvoorbeeld de Ruigeweidse Achterkade in Driebruggen / Waarder in Zuid-Holland. |
| Afdakswoning | Met afdakswoning is een type arbeiderswoning bedoeld waarvan de daken aan de achterkant verder naar beneden lopen dan aan de voorkant. Deze woningen werden vanaf 1860 in Twenthe voor de toestroom aan textielarbeiders gebouwd in lange aaneengesloten rijen. Een grote woonkeuken met twee bedsteden, dat is alles. Aan de achterzijde bevindt zich nog een z.g. spoelhok. Het (droge) toilet staat buiten in een afzonderlijk schuurtje. De puntige zolder is een aaneengesloten opslagplaats zonder scheidingsmuren. De troosteloze arbeiderswijken worden vanaf 1908 geleidelijk vervangen door betere wooncomplexen. |
| Afkalving | Erosief proces (vooral door stromend water), waardoor een oever wordt ondermijnd, na verloop van tijd afbrokkelt en in de stroom terechtkomt. Dit proces komt vooral voor in de buitenbochten van rivieren (meanderende rivier) en langs kusten die blootstaan aan sterke golfwerking (erosiekust). Afkalving kan uiteindelijk leiden tot een dijkval. Begroeiing kan de snelheid van afkalving sterk afremmen, doordat wortels de grond vasthouden. |
| Afleidingskanaal | Kanaal ten behoeve van een versnelde waterafvoer van oppervlaktewater. |
| Afpalingsrecht | Recht op stilte in een 'afgepaald' gebied rondom een eendenkooi. Dit omdat stilte een absolute noodzaak is om wilde eenden te lokken. Het is een oeroud recht, dat nog stamt uit de tijd van Karel V (circa 1550). |
| Afvalberg | Heuvel die ontstaan is uit een vuilstortberg, niet te verwarren met een mijnberg. |
| Afvenen | Zie droge vervening. |
| Afwatering | Het afvoeren van overtollig water door een stelsel van watergangen. |
| Aireywoning | In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog werd vanwege de schaarste aan materiële en financiële middelen geëxperimenteerd met nieuwe, industriële bouwwijzen. Het Airey-systeem bestond uit een skelet van beton en staal met buiten- en binnenbekleding van beton- en houtvezelplaat. Ramen en dakspanten van de Airey-woningen zijn van staal, de kap is met hout beschoten met bitumen afdekking. |
| Akkerkamp | Akkerland. Zuid-Nederlandse benaming voor een es. |
| Akkermaalshout | Houtsoort van hoge kwaliteit, veelal eikenhout, die vroeger veel gebruikt werd door leerlooiers omdat het looizuur bevat. Akkermaalshout werd om de 7 tot 12 jaar gekapt. Het hout werd eerst geklopt waardoor het makkelijker losliet en vervolgens door de eekschillers geschild. De afgeschilde bast werd fijngemalen en gebruikt voor de looivaten. |
| Akkerrand | Akkerranden zijn drie, zes of negen meter brede stroken met bloemen of planten die een akker omzomen. De breedte van drie, zes of negen meter is afgeleid van de werkende breedte van landbouwmachines en blijkt in de praktijk een juiste maat te zijn voor een natuurlijke omlijsting. |
| Allodiaal goed | Onroerend goed met volledig eigendomsrecht naar burgerlijk recht, ook wel vrij of eigen goed genoemd. Het tegenovergestelde van een feodaal of leengoed, waarvan het gebruiksrecht wordt overgedragen door leenheer en leenmannen. |
| Allee | Zie laan. |
| Ambacht, Ambachtsheerlijkheid | Recht en bestuursgebied op het platteland in westelijk Nederland. Het hoogste feitelijke gezag aldaar was de ambachtsheer met onder zich de schout en daarnaast een bestuur van ambachtsbewaarders en een college van schepenen uit de bevolking. West-Friesland is b.v. onderverdeeld in vier ambachten, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in koggen. |
| Ang | Bouwland, es. |
| Anger | Dorpsweide. |
| Anti-tankgracht | Diepe gegraven met water gevulde gracht met steile oevers om tanks tegen te houden, o.a. ten zuidoosten van IJmuiden en in de Grebbelinie. De antitank hindernis bij IJmuiden was op meerdere plaatsen onderbroken om het verkeer in en uit de Festung IJmuiden te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. Wordt ook wel tankval of anti-tankkanaal genoemd. Zie ook andere door de Duitsers gebouwde versperringen. |
| Anti-tankmuur | Onderdeel van de door de nazi’s aangelegde Atlantikwall langs de Nederlandse kust. Op plaatsen waar geen tankval of anti-tankgracht gegraven kon worden, werd een twee meter hoge tankmuur van beton en ijzer gebouwd. In Noord-Holland is een aantal anti-tankmuren van het type Landfront (taps toelopend profiel met overhangende rand) overgebleven waarvan het gedeelte bij Midden Herenduin ten zuiden van IJmuiden het mooiste en langste is. Zie ook andere door de Duitsers gebouwde versperringen. |
| Arboretum | Park waar op systematische wijze bomen zijn verzameld. Een voorbeeld is Van Gimborn in Doorn. Als er alleen naaldbomen staan wordt gesproken van een pinetum. |
| Arsenaal | Magazijn voor oorlogsbehoeften, veelal met bijbehorende werkplaats, ook wel armamentarium, bushuis, tuighuis of ('s) lands huis genoemd. |
| Artesische bron | Bron waarvan het water spontaan boven de grondwaterspiegel uitstijgt door de hydrostatische druk op het water dat zich in een ondergronds bekken bevindt. De naam komt van de provincie Artesië (Artois) in Frankrijk waar dit soort bronnen vaan voorkomt. |
| Aspergeversperring | Populaire benaming voor een vechtwagenhindernis, bestaande uit in rijen geplaatste, naar voren gerichte, puntige en in beton gevatte profielstalen balken of spoorrails. Zie Eisenbahnschienensperre. |
| Atlantikwall | Nooit voltooide Duitse verdedigingslinie die de Duitsers vanaf 1941 aanlegden van Noorwegen tot Spanje (2685 kilometer lang) ter voorkoming van een geallieerde invasie. De Atlantikwall bestond uit bunkers, kanonnen en mijnenvelden. Op sommige plaatsen zijn de bunkers bewaard gebleven, onder meer in Zandvoort, Katwijk, Scheveningen en verschillende plaatsen in Zeeland. Castricum werd vanwege het vlakke achterland aangewezen als Stützpunktgruppe. In de duinen bij Castricum werden 800 bunkers gebouwd en achter de duinen werd een tankval gegraven, een 8 meter brede door tanks niet te nemen v-vormige watergang. Op andere plaatsen werd een tankmuur gebouwd. De commandobunker voor het Nederlandse deel van de Atlantikwall lag in Hilversum. |
| [begin pagina] | |
| Baak (1) | Heuvelrug, hoogte. |
| Baak (2) | Wit bord met rode rand op gele paal met markeringsinformatie langs waterwegen. |
| Baggerbeugel | Werktuig ten behoeve van de natte veenontginning (sinds 1530), zie slagturven |
| Baggeren | Zie slagturven |
| Bakhuisje, bakspieker | Bijgebouwtje bij een boerderij. Wegens brandgevaar werd het brood niet in de boerderij zelf gebakken, maar in een apart huisje. Nadat het zelf bakken van brood in onbruik raakte, raakten de bakhuisjes in verval of werden ze een woning voor de armste bevolkingsgroepen. |
| Bakwetering | Brede afwateringssloot op korte afstand achter de rivierdijk. |
| Balg | Geul (Waddenzee) |
| Balgstuw | Opblaasbare stormvloedkering, de eerste ter wereld ligt bij Ramspol tussen het Ketelmeer en het Zwartewater in Overijssel. In drie opblaasbare balgen van rubberdoek met een totale lengte van 180 meter kan bij hoogwater 10 miljoen liter water en een zelfde hoeveelheid lucht gepompt worden. Deze waterkering biedt goede bescherming tegen hoogwater, zit de scheepvaart niet in de weg en is relatief goedkoop. De balgstuw moet Noordwest Overijssel bij noordwestenwind beschermen tegen het opstuwende IJsselmeerwater. In opgeblazen toestand kan de balg een waterstijging van vier meter keren. De bouw, begonnen in 1998 heeft 70 miljoen euro gekost. Door de bouw van de balgstuw hoeven de dijken in het achterland niet verhoogd te worden. Aangezien het hier gaat om voornamelijk kronkeldijken, kunnen natuurwaarden hier behouden blijven. In Noorwegen ligt een balgstuw in het Telemarkenkanaal bij de plaats Lunde. Ook in Tsjechië lijkt interesse te zijn in een balgstuw (in een zijrivier van de Moldau). |
| Ban | Historisch bestuursgebied of rechtsgebied van een stad, onderdeel van een baljuwschap (b.v. Banne Buiksloot in Amsterdam-Noord); in delen van vooral Noord-Holland (Gooi, West-Friesland) zijn nog veel banpalen (die de grens van een ban aangeven) te vinden |
| Bandijk | Winterdijk, hoge dijk op grotere afstand van de rivier. De buitenberm ligt aan een uiterwaard. Zie verder bij dijken. |
| Banpaal | Stenen paal die het eind van een rechtsgebied (ban) aangaf. Criminelen die verbannen waren, mochten deze grens niet overschrijden. Bij de bangrens ontstonden vaak primitieve kroegjes en krottenwijkjes. De grens van het bangebied (banmijl) schoof op met het groeien van een stad tot 7.420 meter buiten de stadsgrens in 1544. Verbanning is in 1886 uit het wetboek van strafrecht geschrapt (wel bestaan tegenwoordig dijkverboden en ongewenstverklaringen). Rond Amsterdam staan momenteel nog drie banpalen: bij de ingang van park De Braak, ten zuiden van het gemaal op de Machineweg (paal uit 1625) en bij het dorp Sloten (paal uit 1794). De overige drie palen zijn verdwenen. |
| Barbacane | Buiten een middeleeuwse vesting- of kasteelpoort gelegen verdedigingswerk, afgeleid van het Arabische woord 'barbakkaneh' (bolwerk voor de poort), wordt ook wel bruggenschans genoemd. |
| Barchaan | Duin in een langgerekte halvemaanvorm waarvan de punten van de wind af wijzen. Wordt ook wel blinkerd, paraboolduin of sikkelduin genoemd. |
| Basiskustlijn (BKL) | Kustlijn die in het kader van de kustlijnzorg wordt gehandhaafd; ongeveer de positie van de kustlijn op 1 januari 1990. |
| Basisveen | De veenafzetting die tijdens het Boreaal ontstond, toen de zeespiegel onze huidige kustlijn bereikte na afloop van de laatste ijstijd (Weichselien). Het basisveen werd gevormd in de zoute moerassen langs de kust en is diep in de bodem terug te vinden. Later is het bedekt door de afzettingen van Calais, waarbij het meeste veen is weggeslagen. Ook wel 'veen op grotere diepte' genoemd. |
| Bastei | Grote hoefijzervormige lage toren in de ommuring van een stad of kasteel, naar oorspronkelijk ontwerp van Albrecht Dürer. Een bastei was voorzien van overwelfde kanonkazematten voor grachtsbestrijking en van geschutopstellingen op het bovenvlak en kan gezien worden als de voorloper van het bastion. |
| Bastille | Middeleeuws vestingwerk, veelal als zelfstandige verdedigingsburcht, gelegen voor de stadspoort of stadsmuur. |
| Bastion | Vijfhoekige stenen of aarden uitbouw van een verdedigingswerk, oorspronkelijk naar Italiaans ontwerp. In ruimere zin is een bastion een vooruitgeschoven verdedigingswerk, tot in de 17e eeuw eenvoudigweg bolwerk genoemd, dat met de fortificatie in gedekte verbinding staat. In engere zin is het een bij de frontlinie aangesloten vooruitspringend gedeelte op de hoeken en bij de toegangen van een vesting met twee naar buiten gerichte zijden (facen), twee naar achter gerichte zijden (flanken) en een niet bewald deel (keel). Bij een vol bastion is de binnenruimte (het terreplein) gevuld met een aardlichaam, een bomvrij onderkomen voor personeel of een remise voor geschut; bij een hol bastion ontbreken deze. Een bastion wordt ook wel bolwerk of dwinger genoemd. De muur of wal tussen twee bastions heet courtine. Onder een stenen bastion bevinden zich vaak kazematten, kelders voor munitie en kanonnen. |
| Bedekte weg | Doorlopende, door een aardlichaam gedekte weg rond de buitengracht van een vesting, bestemd voor het verzamelen van troepen voor een uitval, of als verdedigende opstelling. Bedekte wegen komen alleen voor als onderdeel van aparte liniewallen zoals de Geniedijk Haarlemmermeer en de Liniewal Aagtendijk-Zuidwijkermeer. Wordt ook wel gedekte weg genoemd. |
| Beek | Kleine tot middelgrote stroom. |
| Beekherstel | Het zodanig inrichten van beken dat kenmerkende eigenschappen worden hersteld (meanderen, steilranden, overloopgebieden). |
| Beekdal | Zie madeland. |
| Beemd, beemt | Graslandpercelen in een beekdal, dus laaggelegen (vooral in Noord-Brabant). |
| Beer | Gemetselde waterkering in een vestinggracht, ter bemoeilijking van de overgang aan de bovenzijde in de vorm van een ezelsrug (spits toelopend) en voorzien van een monnik (opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen). Een beer kan de volgende functies hebben:
- Scheiding respectievelijk regulering van de waterstand in een gracht, eventueel d.m.v. een sluis (sluisbeer). Er liggen twee beren in de binnengracht om Naarden-Vesting, om het zoete van het voormalige zoute water te scheiden.
- Als holle beer, voor het doorlaten van personeel.
- Idem, en bovendien voorzien van schietgaten, voor grachtsflankement.
|
| Beermuur | Gemetselde primaire waterkering rond een vestingstad, bijvoorbeeld in Wijk bij Duurstede. Wordt ook wel walmuur genoemd. Een afsluitbare opening in een beermuur wordt coupure genoemd. |
| Beets | Beek |
| Beklemrecht | Grondhuur waarbij de pachter of meier betaalt voor het erfelijk recht op het land; de bebouwing is zijn eigendom. Beklemd land mag niet gesplitst worden. Beklemrechten zijn vooral toegepast in de provincie Groningen, waardoor de boerderijen daar altijd groot zijn gebleven, zie ook stadsmeierrecht. De stad Groningen bezat veel landerijen in het oosten van de provincie: Westerwolde was in zijn geheel bezit van de stad dat daarnaast ook grote delen van de beide oldambten en de veenkoloniën bezat. |
| Belfort | Wachttoren met een stormklok, komt voornamelijk in Vlaanderen voor waar de steden in de Middeleeuwen het recht hadden een belfort te bouwen. De vier hoektorentjes symboliseren meestal de stedelijke zelfstandigheid. Het enige Nederlandse belfort staat in de stad Sluis. De naam stamt af van het oud-Frans 'belefroi'. |
| Belt | Heuveltje. |
| Beltmolen | Molen (korenmolen) op een (kunstmatig) heuveltje, waarbij de wal de stelling vervangt. |
| Belvédère | Al dan niet kunstmatig verhoogde plek in het landschap waarvanuit men een mooi uitzicht heeft. |
| Belvédère, Nota | Beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. |
| Bemaling | Het op de gewenste hoogte houden van het waterpeil in een polder of boezem. Aanvankelijk kon men volstaan met natuurlijke lozing met behulp van duikers en uitwateringssluizen. Door bodemdaling en zeespiegelrijzing moest men in de kustgebieden van Nederland omstreeks het jaar 1000 mechanische hulpmiddelen gaan gebruiken. In de 15e eeuw ontstond zo de windwatermolen, in de 18e eeuw gevolgd door het eerste Nederlandse stoomgemaal. |
| Berceau | Aangelegd en met bomen overgroeid pad in een park of op een landgoed, ook wel loofgang genoemd. Een mooi voorbeeld is de 400 meter lange 'Groene Bedstee' van haagbeuken op het landgoed Mariëndaal bij Arnhem. Zie ook charmille. |
| Berg | Zie donk. |
| Bergbezinkbasin | Ondergronds bassin in het rioolstelsel, dat tijdens hevige regenbuien het teveel aan rioolwater tijdelijk opvangt, zodat het niet in een (overstort)vijver terechtkomt. Is er weer genoeg ruimte in het riool dan kan het water daar alsnog heen. |
| Beuk | Ruimte tussen de gebintstijlen in de lengterichting van boerderij of schuur |
| Bezinkveld | Vakken langs de kust van Groningen en Friesland, begrensd door dammen van rijshout, ter bevordering van een snelle sedimentatie. De bezinkvelden worden in stand gehouden om de achterliggende kwelders te beschermen tegen erosie. |
| Bies(t) | Zie dries |
| Biezen | Gebied met oevergewassen. |
| Bicht | Afgeperkt terrein |
| Bijenschans | Opstelling van bijenkorven in een houten stellage die aan de achterzijde begroeid is, beschut tegen noorden- en westenwind. In het Corversbos in Hilversum is een van de 40 schansen die in de 18e eeuw in het Gooi werden gebouwd overgebleven. |
| Bijenstal | Plaats waar een imker een aantal bijenkorven of kasten heeft staan, meestal omgeven door een wal of afdak en voor bijen aantrekkelijke planden (drachtplanten). Ook wel eens iemenschuur of bijenschans genoemd. |
| Binnendijks | Deel van het rivierengebied dat door winterdijken wordt beschermd tegen de invloed van de rivier. |
| Binnenduinen | Zie duinen. |
| Binnenteen | Voet van de binnenglooiing van de dijk. In het rivierengebied staan hier vaak de boerderijen. |
| Blauwgoedkooi [artikel] | Eendenkooi waar zogeheten 'blauwgoed' wordt of werd gevangen. Onder 'blauwgoed' verstaat de kooiker de slobeend, zomertaling, wintertaling, pijlstaart, smient en krakeend. Ook de duikeenden (o.a. kuifeend, tafeleend) rekent hij tot het blauwgoed. |
| Blauwgrasland | Voedselarm, onbemest vochtig hooi- of weiland dat vroeger één keer per jaar in de zomer werd gehooid. De naam is afkomstig van de blauwachtig gekleurde grassen die er groeien. Soms staan deze weilanden 's winters onder water. De belangrijkste grassoort is het pijpenstrootje, maar ook borstelgras en blauwe zegge komen voor. |
| Bleek, -veld, -land | Grasveld in een dorp of op een boerenerf waarop linnengoed te bleken werd gelegd. Met de komst van waspoeder met bleekmiddel verdween ook het bleekveld. De bleek is op de meeste boerenerven onderdeel van de siertuin geworden, maar is nog herkenbaar als hij omheind wordt door bijvoorbeeld meidoorn. Wordt ook wel dorpsbleek genoemd. Bleken kwamen veel voor in Twente en langs de Hollandse duinen. |
| Blick | Drassige gronden. |
| Blink | Dorpsplein. |
| Blinkerd | Duin in een langgerekte halvemaanvorm waarvan de punten van de wind af wijzen. Wordt ook wel barchaan, paraboolduin of sikkelduin genoemd. |
| Blok | Stuk bouwland in een Zeeuwse polder; bij de inpoldering werd de polder verdeeld onder de geldschieters, die elk een blok land toebedeeld kregen. |
| Blokland | Aan alle zijden besloten land |
| Blokverkaveling | Oudste verkavelingstype, verdeling in relatief kleine, rechthoekige of onregelmatige percelen. Volgt de loop van natuurlijke elementen zoals een beek of een heuvel. Zie ook andere typen verkaveling |
| Bocagelandschap | Heggenlandschap, door heggen of muurtjes omgeven velden |
| Boenhok | Klein schuurtje, vaak met pannendak, aan de waterkant om melkgerei te spoelen. In Friesland komen ze zonder afdak ook wel als boenstoep voor. |
| Boerenkuil | Willekeurig gegraven verveningsput in het veen om brandstof te winnen. Omdat ontwatering ontbrak, kwamen de putten onder water te staan. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog nog gegraven. Een goed voorbeeld is zijn de putten op het Hurener Veld in Wierden. |
| Boet | Kleine schuur voor opslag van hooi en ander voer met een karakteristieke vorm. De schuur heeft een zadeldak dat een één zijde schuin afloopt (zuidwesten). De boet komt voor op Texel en in mindere mate in West-Friesland op land dat ver bij de boerderij vandaan ligt. Het is geen schapenschuur, maar schapen kunnen wel bij de boet schuilen. |
| Bocht | Wei- of hooiland |
| Bodemvocht | Het water in de bodem boven de grondwaterspiegel. |
| Bodemwater | Grondwater en bodemvocht. |
| Boekengrond | Lössachtige grond aan de Veluwezoom waar veel beuken groeien. |
| Boenhok | Klein houten schuurtje of houten uitbouw aan de keuken, vaak met pannendak, aan de waterkant om melkgerei te spoelen. In Friesland komen ze zonder afdak ook wel als boenstoep voor. |
| Boenstoep | Aan brede sloot gelegen stoep waar men o.a. melkbussen en emmers boent en water kan scheppen. |
| Boerderaar | Namaakboerderij. |
| Boerderette | Nieuwbouwwoning in de stijl van een oude boerderij. Het begrip is geïntroduceerd door Wim T. Schippers. |
| Boerenerf | De grond rondom de boerderij die niet gebruikt wordt voor de verbouw van producten of beweiding, maar voor de verwerking en de opslag van de producten. Naast de boerderij staan er op het erf schuren: Op een akkerbouwbedrijf staan hoge grote schuren voor de aardappelen en bieten. Vroeger was dat een speciale schuur die verzonken in de grond lag met een geïsoleerd dak tegen de vorst. Op een melkveehouderij staat een loopstal met een melkkuil. Deze schuren zijn minder hoog en open. Soms is er een grupstal of een potstal en dan is er een mestplaat. Hier is ook een kuil voor het voer of zoals vroeger de hooimijt en in Noord-Holland de typische hooischuur. Vaak is er een open kapschuur met al het materieel. Rondom het erf groeit een singelbeplanting. Hoge bomen met eronder struiken of alleen bodembedekkers. De laatste singel tref je aan bij veehouders die graag vanuit de boerderij het vee willen zien en dan onder de bomen door kunnen kijken. Het gesloten erf met struiken is te vinden bij de akkerbouwer die de wind en kou graag weghoudt van het erf. Op de zuidzijde van de boerderij is de bongerd of kleine boeren boomgaard met hoogstam fruit. Soms is die omgeven met een besdragende struikrand. Aan deze zijde ligt ook de moestuin van een haag voorzien met struiken. Aan de ander kant van de boerderij lag een weitje voor zieke koeien, een geit en wat schaapjes. Soms in gebruik als bleekveldje voor de was. Tegen en voor de boerderij staan vaak leilinden of andere knotbomen zoals wilg en knotiep. De bomen geven schaduw in de zomer en beschutting in de winter. In de boerderij ligt de kaasmakerij of de bewaarplaats voor eten achter de bomen. Het knothout werd voor allerhande zaken gebruikt. Achter op het erf staat de walnotenboom. De boom geeft schaduw op het erf want hij groeit breed uit. Verder was het een goede bliksemafleider als hoogste boom op het erf. Muggen houden niet van deze bomen. Nuttig dus en daar ging het om. Aan de wegzijde van de boerderij toonde de boer en vooral de boerin de rijkdom. De siertuin met bijzondere soorten mooie haagjes in renaissance stijl en bij de poort twee fraaie rode beuken of kastanjes. Vooraan een bloementuin waar het hele jaar wat bloeide. Wat minder rijke boeren hadden gras met een klein perkje. Oude erven zijn meestal omgeven met een zogenaamde hoogwatersloot met bloemrijke kanten. |
| Boermarke | Organisatie van dorpsboeren die zaken als het gebruik van de woeste gronden, de brink, het plaggensteken, het onderhoud aan houtwallen en het weiden van vee regelde. |
| Boerenorganisaties | Organisaties van boeren die regels voor het gebruik van de agrarische gronden opstelden en daarmee het ontstaan van het cultuurlandschap in belangrijke mate bepaalden. In Drenthe buurschappen, in Overijssel en Gelderland marken en in Brabant gemeinten genoemd. In Drenthe werd er streng op toegezien dat buitenstaanders geen eigen bedrijfje op het veld opzetten (o.a. door ontbreken van de adel), in Overijssel en Gelderland werden wel stukjes grond aan beginnende boeren verkocht en in Brabant en Limburg, waar de woeste gronden geen gemeenschappelijk bezit waren, werd kolonisten geen strobreed ion de weg gelegd. In de 19e eeuw kwam er door wetgeving (de markenwet van 1886 waardoor verkoop van markengrond mogelijk werd) en de invoering van kunstmest snel een einde aan het traditionele beheer van gemeenschappelijke gronden. |
| Boet | Houten topgevel in de luwte om zo wagens met hooi door het bovenluik te kunnen lossen. |
| Boezem | Het stelsel van wateren (meren, vaarten e.d.) die tot voorlopige berging van het polderwater dienen, alvorens het in het buitenwater geloosd kan worden. Het water in de boezem kan door sluizen met of zonder bemalingswerktuigen (gemaal) op het buitenwater worden geloosd. Soms gaat het eerst naar een andere, op gelijk niveau liggende boezem, of naar een hoger gelegen voorboezem. In droge tijd kan boezemwater gebruikt worden om extra water in te laten. Het water in de boezems had verder geen enkele functie. Daarom liet men het voor wat het was en de meeste boezems werden heel interessante natuurgebieden. |
| Boezemgebied | Al het polderland dat zijn water op een bepaalde boezem loost. |
| Boezemgemaal | Gemaal dat het uitmalen van het water uit de boezem verzorgt. Boezemgemalen zijn de laatste schakel in de keten: ze malen het water uit naar oppervlaktewater dat in directe verbinding staat met een rivier of ander water dat op natuurlijke wijze in zee uitmondt. |
| Boezemland | Niet ingepolderd land dat zonder bemaling (dus op natuurlijke wijze) zijn afwatering op een boezem heeft. |
| Bolle akker | Akker waarvan het midden hoger ligt dan de randen. Waarschijnlijk heeft de bolling te maken met de afwatering, maar dit is niet zeker. Ook wel akkermeten genoemd, in Friesland en Groningen kruinige percelen en in West-Friesland kussentjesakkers. Bolle akkers vertonen oveereenkomsten met kromakkers in het rivierengebied. |
| Bollenschuur | Opslagruimte waar bloembollen op houten stellingen worden gedroogd. Tot 1900 vaak van hout, waarbij de houten stellingen de dragende constructie vormde; na 1900 meestal van baksteen en twee verdiepingen hoog. |
| Bolster(turf) | Lichtbruin gekleurd hoogveenproduct uit grauwveen / witveen (de laag onder de bonkaarde). Is alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Zie droge vervening. |
| Bolwerk | In eerste instantie een veelal rond verdedigingswerk voor of buiten een stadsmuur of -omwalling. Later een vijfhoekige uitbouw van een vestingmuur of wal en in die betekenis Nederlands synoniem voor het Franse bastion. |
| Bomendijk | Met eiken en beuken begroeide dijk tussen Voorst en Wilp (onderdeel van landgoed De Poll) en uniek in Nederland. Voor de veiligheid is de dijk voorzien van een stalen damwand. Deze stalen damwand is in de kruin, middenin de waterkering aangebracht, zodat de meeste bomen behouden konden blijven. |
| Bongerd | Ander woord voor boomgaard. |
| Bonkaarde, bonkveen | Bovenste laag aarde in hoogveengebieden. Wordt eerst verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd (de ontginning van dalgronden), waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw en met name voor de aardappelteelt. Zie droge vervening. |
| Boo, boe | Stal in het veld waar de booheer (veehoeder) 's zomers met zijn vee verbleef (17e eeuw). De laatste originele boo, de Wilmsboô (1640) in Nieuw Schoonebeek, brandde in oktober 2004 af, maar werd in 2008 herbouwd. Deze replica heeft nu een woonfuctie. De Hekmansboô nabij Schoonebeek is ook een replica. Een boo wordt in Drenthe ook wel sennhütte genoemd. |
| Boomgaard | Zie laagstamboomgaard en hoogstamboomgaard. Ook wel bongerd genoemd. |
| Boostergemaal | Rioolgemaal voor het transport van afvalwater door persrioolleidingen. |
| Borg | Vesting. |
| Borg | Versterkte Groningse edelmanswoning, vroeger bezit van een 'Ommelandse jonker'. Vergelijkbaar met een stins of een state in Friesland, een havezate in Oost-Nederland en een ridderhofstede in Utrecht. Zie ook kasteel. |
| Bos | Ooit was Nederland grotendeels bedekt was met bossen, de naam Holland ('Holtland' of 'Houtland') verwijst hier naar. Voor de latere ontbossing zijn meerdere oorzaken: er was landbouwgrond nodig, het hout was nodig voor scheepsbouw en er werd gestookt op hout. Ook natuurlijke processen hebben gezorgd voor ontbossing. Zo raakten veel bossen door hoogveenvorming verstikt, waardoor veenmoerassen ontstonden. In 1750 was er nog maar 50.000 hectare bos over (2% van Nederland). Het laatste oerbos, het Beekbergerwoud, werd tussen 1869 en 1871 gekapt. In het begin van de 19e eeuw werd gestart met de herbebossing. Eerst vanuit landgoedeigenaren (o.a. op de Utrechtse Heuvelrug), en later ook door textielbaronnen in Twenthe. De Markenwet van 1886, waarbij verkoop van markengrond mogelijk werd, speelde de herbebossing in de hand. Later in de 19e eeuw werden veel woeste gronden (heide, zandverstuivingen) beplant met naaldhout, waar veel behoefte aan was in de mijnbouw. Hiertoe werden in 1888 Heidemij (het huidige Arcadis) en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht. In 1850 telde Nederland 100.000 hectare bos, in 1950 250.000 hectare. Anno 2009 is er ruim 360.000 hectare bos (10,6% van het land). Er worden vier verschillende soorten bos in Nederland onderscheiden:
- Productiebossen, ruim de helft van het Nederlandse bos;
- Schermbossen, bossen die een buffer vormen tegen bedreigende of nadelige elementen in het landschap;
- Landgoedbossen; en
- Spontane bossen.
|
| Boswal | Dijkachtige verhoging met dichte beplanting, struiken of bomen. In de tijd dat nog met schapen werd begraasd, werden eigendomsgrenzen met dergelijke boswalletjes aangegeven. Ze zijn nog te zien in o.a. de Kaapse Bossen bij Doorn. |
| Boszone | Zie duinen. |
| Bo(a)venkamer | Uitbouw tegen de voorgevel van een Twentse boerderij waar de oude boer met zijn vrouw gingen wonen na de overname van het bedrijf door de kinderen. Wordt ook wel endskamer genoemd.Huisje dat aan de boerderij werd gebouwd voor de ouders van de boer. |
| Bovenkleinsloot | Zie vloeiweide. |
| Bovenlanden | Veenruggen, gespaard tijdens de veenontginningen in het Hollandse veenweidegebied, vaak in of langs droogmakerijen. Op de bovenlanden liggen nu vaak dorpen en wegen. Langs de Amstel in Amstelveen bevindt zich nog restveen, het bovenland. Het Amsteleiland is een stukje Bovenland in de Amstel. |
| Bovenzouw | Zie vloeiweide. |
| Brandingsrug | Door branding opgeworpen zandrug. |
| Brandmuur | Stenen binnenmuur tussen woon- en bedrijfsgedeelte van een boerderij om bij brand het vuur te weren of de verspreiding te voorkomen / vertragen |
| Brandsloot | Type opvaart dat waterwegen met onder meer boerderijen verbindt om in geval van brand over voldoende bluswater te beschikken. |
| Breek | Term voor wiel die voornamelijk rond Amsterdam voorkomt (Wilmkebreek, Kadoelerbreek, Buiksloterbreek en Schellingwouderbreek). |
| Bres | Een gat in een waterkering. |
| Breuktrede | Trede in het aardoppervlak die is ontstaan als gevolg van ondergrondse verticale bewegingen van twee naast elkaar gelegen schollen van de aardkorst. Komen voor in Noord-Brabant en Limburg. |
| Brijn, brijnwater | Zoutwaterconcentraat. |
| Brik(grond) | Bodem waarin klei uit de toplaag (A-horizont) is uitgespoeld en daaronder weer is ingespoeld (B2t-horizont). |
| Brilschans | Zuid-Nederlandse benaming voor een lunet. |
| Brink | Open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen) en was dus een gemeenschappelijke veebocht. Vaak lag er op de brink een poel (dobbe of kolk). Brink betekent letterlijk 'rand' en is later vaak het het dorpsplein geworden. Brinken komen voor op de zandgronden bij esdorpen of brinkdorpen. De brink was eigendom van de boermarke. Regionaal wordt de brink ook wel tie, heuvel, plein, plaatse of dries genoemd. |
| Brinkdorp | Dorpstype, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), ook esdorp genoemd |
| Broeihoop | Hoop organisch materiaaal waar kleine zoogdieren en reptielen in kunnen overwinteren en zich kunnen voortplanten. |
| Broek, broekbos | Drassig laagland, moerasbos of kreupelhout. |
| Broekveen | Veen ontstaan door de onverteerde resten van de wortels van bomen en struiken in drassig gebied. |
| Bron | Plaats waar water vanzelf uit de grond opwelt. Als het grondwater op een punt boven de aarde uitkomt en direct een stroompje vormt, spreekt men van een puntbron of akrokeen. |
| Brongasinstallatie | Installatie op boerenerven bestaande uit een bronpijp en een (zwarte) opslagketel om brongas te winnen, wat in West-Friesland op geringe diepte te vinden is. Vanaf het begin van de 20e eeuw werd dit gas gewonnen voor verlichting en verwarming. Het ontgaste water met een constante temperatuur van 10 graden, diende voor het koelhouden van de gemolken avondmelk, die samen met de ochtendmelk tot kaas kon worden verwerkt. Veel boerderijen op lager gelegen land hadden een brongasinstallatie. Vanaf de jaren 90 ontmoedigde het waterschap deze vorm van thuisgaswinning, omdat deze zou bijdragen aan de waterverontreiniging. Ook wel 'zwarte makkers' genoemd. |
| Bruine bosbodem | Zie holtpodzolbodem. |
| Buitendijks | Gebied tussen de winterdijken, dus de rivier en de uiterwaarden. |
| Buitenduinen | Zie duinen. |
| Buiten(plaats) | Landgoed of groot huis buiten de bebouwde kom, omgeven door tuinen of een park. Ook als het huis verdwenen is wordt het buitenplaats genoemd. Kan deel uitmaken van een landgoed. Veel buitenplaatsen zijn ontstaan uit een kasteel. |
| Buitenwater | De zee en de rivieren waar het polderwater uiteindelijk (via de boezem) in geloosd wordt. |
| Bulk | Wei- of hooiland. |
| Bunker | Militair verdedigingswerk uit gewapend beton dat een zekere mate van bescherming biedt tegen beschietingen en bombardementen. Heeft meestal een enkelvoudige functie zoals geschutsopstelling, commandopost of schuilplaats. In de Nieuwe Hollandse Waterlinie werden in 1939 en 1940 de eerste bunkers gebouwd (piramides). De Duitsers bouwden bunkers zijn langs de kust in de vroegere Positie van IJmuiden en rond Amsterdam. Bij IJmuiden is nog een groot aantal aanwezig, rond Amsterdam een zeer klein aantal. Ook tijdens de Koude Oorlog zijn nog enkele bunkers gebouwd. In Nederland zijn de volgende typen bunkers toegepast:
- Feldmässige Ausbau = Duits Veldverdedigingswerk, licht bouwwerk uit Stahlbeton, maar soms ook van steen, zandzakken of andere voorhanden materialen. Dit type bunker kent een grote variëteit aan weerstandvermogen, materiaal en constructie.
- Kernwerk = Grote concentratie bunkers op een klein oppervlak, door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog op meerdere plaatsen langs de Nederlandse kust gebouwd.
- Piramide = Nederlands bunkertype, populaire benaming voor een zwaar uitgevoerde afwachtingsdekking van gewapend beton, zoals veel toegepast in de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 1939-1940. Gebruikt als dekkingsruimte voor personeel in de nabijheid van een groepsnest (veldversterking) of andere gevechtsopstelling. De naam duidt op de vorm, die lijkt op een afgeknotte piramide. Piramides zijn nog te zien bij o.a. Muiderberg en Uitermeer.
- Regelbau = Standaardbouwwijze voor bunkers waaraan alle door de Duitsers (in Nederland) gebouwde bunkers aan moesten voldoen, behalve de vaak geïmproviseerde veldversterkingen (Feldmässige Ausbau). Een bunkers die niet aan de Regelbau voorschriften voldeed werd Sonderkonstruktion genoemd.
- Ständiger Ausbau = Duurzame versterking, bunker van gewapend beton en stalen profielen, tot vijf meter dik en bestand tegen een directe bom van 500 kg en direct geschutsvuur tot een kaliber van 22 cm. Door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog op meerdere plaatsen langs de Nederlandse kust gebouwd.
|
| Buren | Nederzetting. |
| Burg | Vesting, stad. |
| Bus | Met bomen of struiken begroeid terrein in het zuiden van Nederland |
| Buurschap | Drentse benaming van een marke. Boerenorganisatie die zich bezig hield met rechtspraak en het onderhoud van wegen, stelde, soms i.s.m. een andere buurschap een herder met schaapskudde (heerdgang) aan. |
| [begin pagina] | |
| Caisson | Betonnen kist van forse afmeting (sommige ter grootte van een flatgebouw). De kleinere zijn geheel dicht, de grote zijn voorzien van schuiven (doorlaatcaissons). Bij het dichten van de gaten in dijken na de stormramp 1953 heeft men van caissons gebruikt gemaakt (bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland nog gedeeltelijk te zien). Bij sommige dammen in het Deltaplan heeft men doorlaatcaissons gebruikt. |
| Calamiteitenberging | Zie piekberging. |
| Calvarieberg | Heuvel waarop een kruis is opgercht waarheen katholieken in de vastentijd op bedevaart gaan. |
| Cascade | Getrapte waterval of kunstmatig aangelegde stroom-versnelling. |
| Castellum | Door de Romeinen aangelegd militair kampement. |
| Cavalier | Geschutsopstelling achter de courtines als onderdeel van een vestingwerk. |
| Celtic field | Akker uit de ijzertijd (circa 800 voor Christus tot een paar eeuwen na Christus). Bij de ontginning werden op het land gevonden keien langs de rand opgestapeld. Zo ontstond een dambordachtig patroon van akkertjes van circa 35 bij 35 meter, met lage walletjes eromheen. De invoering van de keerploeg door de Romeinen, maakte een einde aan dit ontginningssysteem. Celtic fields zijn nog te zien op het Noordse Veld in het Drentse Zeijen en op het Wekeromse Zand. Ook wel raatakker genoemd. |
| Charmille | Berceau van haagbeuken in Zuid-Nederland. |
| Chate | Kleine boerderij |
| Cirkels van Jannink | Zie Jannink, Cirkels van. |
| Citadel | Zelfstandig verdedigbaar (stervormig) vestingwerk binnen of nabij een stad of vesting met als doel de bevolking onder bedwang te houden en weerstand te bieden na de val van het overige deel van de vesting. Het woord is afgeleid van het Italiaanse città ideale: de ideale stad, in de Renaissance uitgevonden door Italianen. Een bekend voorbeeld van een citadel is te vinden in 's-Hertogenbosch. Indien de heerser in de citadel een dwangheer (vreemde heerser) was, werd de citadel ook wel dwangburg of dwangkasteel genoemd. |
| Colluvium | Löss die onderaan een helling of tegen een graft is samengespoeld |
| Colonneweg | Eind 19e / begin 20e eeuw gangbare benaming voor een in een stellinggebied aangelegde militaire weg voor verplaatsing van troepen en aanvoer van materieel. |
| Compascuum | Gemeenschappelijke dorpsweide, 'bedoeld om gemeenschappelijk geweid te worden' (Latijn) (b.v. Borger Compascuum) |
| Contrescarp(galerij) | Gebouw voor het bestrijken van een droge gracht als onderdeel van een vestingwerk, gelegen tegenover de hoofdwal. |
| Cope | Gekocht land, ontginningseenheid, ook wel koop (b.v. Boskoop) |
| Cope-ontginning | Door of in naam van landsheer ter ontginning uitgegeven gebied; wetering met weg en daarlangs ontginningen (copes) van 110x1300 meter (± 14ha.). Zie ook andere typen verkaveling |
| Coulissenlandschap | Landschap met stroken houtgewas die het daarachter gelegen open land aan het oog onttrekken. Vaak met gemodelleerd reliëf en verspreid gelegen boerderijen (hoevenzwerm). |
| Coupure | Bij hoogwater af te sluiten opening in een dijk of een beermuur. Gebruikt als doorgang voor weg of spoorlijn. |
| Courtine | Rechte wal tussen de bastions van een vesting. Wordt ook wel gordijn genoemd. |
| Cultuurbos | Door de mens aangeplant bos. Na eeuwenlange ontbossing en het ontstaan van woeste gronden, werd begin 19e eeuw begonnen met de herbebossing van Nederland. Aanvankelijk vanuit landgoedeigenaren op o.a. de Utrechtse Heuvelrug en later vanuit de textielbaronnen in Twenthe. De Markenwet van 1886 maakt de verkoop van markengrond mogelijk, wat herbebossing gemakkelijker maakte. In 1888 werd de Heidemij (het huidige Arcadis) en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht, om de woeste gronden te herbebossen, maar zeker ook voor de houtproductie (naaldhout als stuthout voor de Limburgse en Duitse mijnen). Na 1900 werd ook loofhout aangeplant. Sinds de Boswet van 1922 moet bos in Nederland na kap opnieuw aanplant worden. Zie ook productiebos, oerbos en natuurlijk bos. |
| [begin pagina] | |
| Dalgrond | Schrale, kunstmatige bodem, gevormd na afgraving van hoogveen in de veenkoloniën, de tijdelijk aan de kant gezette bovenste laag van het veen (bonkaarde) werd door het dekzand gemengd. Zie droge vervening. |
| Daliegat | Met veen opgevuld gat met een doorsnede van 2 tot 5 meter in gebieden die nu bestaan uit klei- of zavelgronden. De daliegaten zijn ontstaan door het opgraven van zavel- en kleigronden die onder het veen lagen. Met deze kalkrijke zavel en klei werden de veengronden vruchtbaarder gemaakt. De gaten werden opgevuld met veen en liggen door inklinking inmiddels zo'n 20 tot 50 centimeter lager dan het omliggende land. Daliegaten (een West-Friese term) komen in heel West - Nederland voor. |
| Dalweg | Lijn in een rivier waar bij laag water het peillood de grootste diepte aangeeft, geeft de werkelijke grens aan indien de rivier een grensrivier is |
| Dam (1) | Toegang of inrit tot het bouwland maar ook de oprit naar de schuren van de boerderij. |
| Dam (2) | Waterkerende constructie, bedoeld om twee wateroppervlakken van elkaar te scheiden (dwars in het water opgeworpen). Een dijk daarentegen is bedoeld om land erachter te beschermen tegen overstromingen. |
| Damsluis | Sluis ter afdamming van een watergang, eventueel om land mee te inunderen. In sommige gevallen ligt een damsluis tussen twee polders die hierdoor een verschillend waterpeil kunnen hebben. De schotbalksluis is een type damsluis. Zie ook stuw en sluis. |
| Darinkdelven | Darink is zout veen dat - onder andere in Friesland, West-Brabant en Zeeland - vanaf het jaar 1000 werd afgegraven. De turf werd vervolgens verbrand om uit de zoute as (sel-assche) zout te winnen, een kostbaar en schaars goed toen er nog geen koelkast bestond. Hiertoe werd de sel-assche in water opgelost, en in grote pannen net zo lang verwarmd tot het geheel was ingedampd en het zout overbleef. Dit werk gebeurde in zoutketen. Darink wordt ook wel moer genoemd, het handelen in moer moernering ofselnering. |
| Dars | Ruimte in de boerderij waar het graan gedorst kan worden en wagens en werktuigen gestald worden, zie ook deel |
| Decauvillebaan | Smalspoorlijn, veelal voor industrieel of militair gebruik. Op het Infanterie Schietkamp Harskamp is een Decauville Spoorweg Museum gesitueerd. Ook in de omgeving van Soesterberg hebben diverse decauvillebaantjes gelegen. |
| Deel | Ruimte in de boerderij waar het graan gedorst kan worden en wagens en werktuigen gestald worden, zie ook dars |
| Debiet | Het aantal kubieke meters (m3) water dat in een rivier op een bepaald punt per seconde passeert. |
| Defensieve bedijking | Het aanleggen van dijken ter bescherming tegen overstromingen. Zie ook offensieve bedijking. |
| Dekzand | Fijne eolische (ontstaan tijdens grote zandstormen) zandafzetting uit de laatste ijstijd (Weichselien), die vrijwel geheel Nederland heeft bedekt. Dekzand is rijk aan kwarts en onvruchtbaar. |
| Dekzandkopjes | In de laatste ijstijd (Weichselien) door koude poolwinden ontstane (manshoge) zandbergjes in het veenlandschap. |
| Dekzandrug | Door toendrastormen in de laatste ijstijd (Weichselien) gevormde ruggen, meestal op d egrens van begroeide en onbegroeide gebieden. Zie ook stuwwal (b.v. Renderklippen bij Epe). |
| Del (1) | Laagte in het duinlandschap. |
| Del (2) | Ten behoeve van vluchtheuvels afgegraven laaggelegen, waterrijke terreinen in het rivierengebied. |
| Delft | Kanaal, gracht |
| Delta | Stroomafwaartse vertakking van een laagvlakterivier met tussen de rivierarmen en de kustlijn een driehoekig gebied bestaande uit door de rivier aangevoerd materiaal. Een estuarium daarentegen is door getijdenstromen ontstaan. |
| Deltapeil | Waterhoogte die één of twee meter hoger ligt dan de hoogste waterstand ooit langs de kust gemeten. Bij het vaststellen van dit deltapeil is ook rekening gehouden met de relatieve zeespiegelstijging en geldt als norm voor de zeeweringen. |
| Delve, dulve | Sloot (Goeree Overflakkee). |
| Delven | Ontginning van hoogveengebieden, wordt ook wel turfsteken of afvenen genoemd. Zie droge vervening. |
| Deruralisatie | Het verschijnsel dat relaties tussen de agrarische bedrijfsvoering en de ruimtelijke plattelandsomgeving in intensiteit afnemen. Dit hangt samen met de technische ontwikkelingen en het streven naar massaproductie. Zie ook landschapsontwikkeling. |
| Desagrarisatie | Structuurverandering in het landelijk gebied, waarbij landbouw aan belang inboet ten gunste van natuur- en recreatieontwikkeling (het vierde gewas). Zie ook landschapsontwikkeling. |
| Diefdijk | Dijk tussen Holland en Gelderland tussen Lek en Linge |
| Diep | Kanaal (veelal in Groningen) |
| Dijk | Waterkerende constructie, meestal opgeworpen aarde en al dan niet met stenen of asfalt bedekt. Bedoeld om land erachter te beschermen van overstroming. Een dam daarentegen is bedoeld om twee wateroppervlakken van elkaar te scheiden. De buitenzijde van een dijk heet buitentalud of buitenbeloop, de binnenzijde binnentalud of binnenbeloop. De taluds lopen van binnen- of buitenteen (onder) tot aan de binnen- of buitenkruinlijn (boven). Soorten dijken zijn:
- Dromerdijk of dromer, extra dijk voor het geval de slaperdijk geen stand houdt, de laatste in het rijtje waker - slaper - dromer;
- Dwarsdijk of zijkade, een dijk van rivier tot rivier om van boven komend overstromingswater te keren;
- IJkdijk, dijk waar intelligentie aan is toegevoegd, waarmee de dijk met sensoren de eigen stabiliteit doorgeven aan de dijkbeheerder;
- Inlaagdijk, dijk die achter een bestaande dijk gelegd wordt om bij het optreden van een dijkval inundatie van de achterliggende polder te voorkomen;
- Ringdijk, een dijk rondom een bemalen stuk land;
- Schaardijk, een dijk waarvan de buitenberm direct aan de rivier ligt. Er is dus geen uiterwaard;
- Slaper(dijk) of (in Zeeland inlaagdijk), een binnendijk die geen dienst heeft zolang de wakerdijk het water keert;
- Tuimeldijk, een lage dijk die zo ontworpen is dat bij een hoge waterstand overstromingen toegelaten kunnen worden;
- Wak(k)erdijk, een dijk met een waterkerende functie, dit in tegenstelling tot de slaperdijk;
- Winterdijk of bandijk, een hoge dijk dijk op grotere afstand van de rivier; de buitenberm ligt aan een uiterwaard;
- Zeedijk, een dijk die direct grenst aan de zee en het achterliggende land tegen overstromingen door de zee moet beschermen;
- Zomerdijk, een lage dijk of kade direct aan weerszijden van de rivier.
|
| Dingspel | Naam van de zes rechtsgebieden waarin Drenthe vroeger was verdeeld. |
| Dijkcoupure | Zie coupure. |
| Dijkdorp | Langgerekt dorp (lintbebouwing), bepaald door het verloop van de dijk, vanaf de dijkwoning werd het land ontgonnen in lange smalle stroken (laagveenlandschap in West-Nederland, in het zeekleilandschap van Zuidwest-Nederland komen andere soorten dijkdorpen voor) |
| Dijketting | Recht om een dijk te beweiden. |
| Dijkgraaf | Bestuursvoorzitter van een waterschap of hoogheemraadschap. De dijkgraaf valt onder de Kroon, in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden onder de soevereine Provinciale Staten. In die tijd had de dijkgraaf de macht om belasting te heffen om de dijken en andere watershappen in de polder te onderhouden en kon hij ook mensen en families de polder uitzetten als deze niet deden wat hen gevraagd werd. |
| Dijkhuis | Huis waar het dijkbestuur bijeenkwam. |
| Dijknol, nol | Zichtbare plaats nabij een wiel waar het water doorheen spoot na een dijkdoorbraak of resterend deel van een door de zee weggeslagen dijk. Wordt ook wel nol genoemd. |
| Dijklast | Zakelijke belasting die door provincies of waterschappen kan worden gevorderd van landeigenaren als bijdrage in het onderhoud van dijken, die hun landerijen begrenzen. Ook wel polderlasten genoemd. |
| Dijkleger | Groep van bestuursleden van ingelanden van een waterschap, die door het bestuur jaarlijks wordt aangewezen om tijdens buitengewoon hoge waterstanden of bij ijsgang dienst te doen, ter bewaking van de bij het waterschap in beheer zijnde dijken. Kwam bij hoog water bijeen in waakhuizen. |
| Dijkpaaltje | Genummerde hectometerpaaltje langs een dijk. |
| Dijkput | Gat in de grond waaruit men het materiaal (dijkspijs) voor de aanleg van een dijk wint. |
| Dijkring | Stelsel van waterkeringen, of hoge gronden, dat een dijkringgebied omsluit en beveiligt tegen overstromingen. |
| Dijkringgebied | Gebied dat door een stelsel van waterkeringen, of hoge gronden, beveiligd moet zijn tegen overstroming, in het bijzonder bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van één van de grote rivieren, bij hoogwater van het IJsselmeer of een combinatie daarvan. |
| Dijkschouw | Het inspecteren van de dijk door de dijkgraaf met heemraden waarbij men vroeger zo nodig ter plaatse 'recht' kon doen. Vond vroeger drie maal in het jaar plaats. |
| Dijkslag | Het gedeelte van een dijk, dat een dijkplichte heeft te onderhouden. |
| Dijkstal | Lang en smal stuk land dichtbij een dijk. |
| Dijksloot | Sloot langs de binnenzijde van een dijk. |
| Dijkstoel | Dijkbestuur. |
| Dijkval | Het (plotseling) wegzakken van de dijk door een zettingsvloeiing in de oever (de ondergrond is met water doordrenkt). Zie ook afkalving. |
| Dingplaats | Verzamelplaats van de oude Germanen, door een priester ingewijd, vaak werd in het midden een heilig symbool geplaatst (de Hunnenschans bij Uddel is hier een voorbeeld van) |
| Dingspel | Oud rechtsgebied in Drenthe, de 6 dingspelen (Zuidenveld, Oostermoer, Noordenveld, Rolder-, Beiler- en Dieverder Dingspel) leverden ieder 4 afgevaardigden (etten) voor de Etstoel (hoogste gerechtshof) |
| Dobbe [artikel] | Zoetwatervijver in centrum (kruin) van een terp, ook wel fehting of feit genoemd. Komt ook voor als drinkplaats voor het vee op een brink. |
| Dobbe | Komvormige uitgestoven laagte in het terrein. Het belangrijkste type is de pingoruïne. |
| Doline | Trechtervormige verzakking, soms vele meters breed en diep, die ontstaat als kalk in het regenwater oplost. Dolines komen voor in het mergel (kalk) landschap van Zuid-Limburg, onder andere in het Vijlenerbos bij Epen, en worden ook wel orgelpijpen genoemd. Wanneer meerdere aangrenzende dolines in elkaar overgaan, spreekt men van een karstdal. Zie ook karstverschijnselen. |
| Donderbezem | Zie geveltekens. |
| Donjon | Versterkte en verdedigbare (woon)toren van een Middeleeuws kasteel, naar Frans model. Komt losstaand voor, maar ook als onderdeel van een kasteel of motte. Werd in dat geval gebruikt als laatste vluchtplaats. |
| Donk | Rivierduin in het rivierengebied die (nog steeds) boven de omgeving uitsteekt. Is ontstaan tijdens het laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien). Destijds had Nederland een poolklimaat en was er nauwelijks vegetatie waardoor de wind vrij spel had. Wordt ook wel berg of woerd genoemd. In de Alblasserwaard komen veel donken voor. De kerken van Hoornaar en Hoog-Blokland staan op een donk. In de muren van de kerk in Hoornaar vinden we ingemetselde ijzeren ringen. Als de dijken van de Alblasserwaard vroeger doorbraken, brachten boeren uit de omgeving hun koeien naar deze hooggelegen kerken en zette men de koeien vast aan deze ijzeren ringen. De zandheuvel waarop het gehucht De Donk in het midden van de Alblasserwaard is gebouwd, ligt ruim zes meter hoger dan het omringende vlakke polderland. |
| Doodijsgat | Glaciaal element ontstaan door het smelten van een groot blok ijs, b.v. ´t Solsche Gat op de Veluwe. Wordt ook wel kettlehole genoemd. |
| Doodweg | Verbindingsweg of -pad tussen een dorp of nederzetting zonder eigen kerkhof naar het dichtstbijzijnde kerkhof, ook wel lijk(e)weg of lijkelaantje genoemd. In Drenthe is de benaming reeweg gebruikelijk. Het pad van Wierumerschouw naar Oostum heet Doodelaan en is zo'n doodweg; het Pieterpad volgt dit pad door de weilanden. Ook op de Hilversumse Westerheide lopen enkele doodwegen, allemaal naar hetzelfde kerkhof. In Deurne liep de Lijkweg tussen het gehucht Vreekwijk en de dorpskern over de akkers. |
| Doorspoelen | Het regelmatig met zoet water door spoelen van de Nederlandse polder- en boezemstelsels om het zoutgehalte te verlagen en vervuiling tegen te gaan. Omdat westelijk Nederland onder zeeniveau ligt, kwelt zout water uit de ondergrond op in de polders en meren. Het zoutgehalte in landbouwgebieden mag de concentratie van 300 mg/l niet overschrijden omdat dit schade aan gewassen zou opleveren. Gewoonlijk zorgt de afvoer van regenwater dat dit zout op een 'natuurlijke' wijze uit het systeem verdwijnt, maar in periodes van droogte moet doorgespoeld worden. |
| Dorpsbleek | Zie bleek. |
| Dorpsbrink | Zie brink. |
| Drachtplantentuin | Tuin bij bijenstallen waar verschillende planten staan die tezamen het hele bijenseizoen bloeien en honing opleveren. Zie ook knopentuin en overtuin. |
| Draineren | Ondergronds afvoeren van (overtollig) water naar sloten. |
| Drakentandversperring | Versperring tegen pantservoertuigen, bestaande uit puntvormige betonblokken, die veelal in lange stroken waren samengevoegd. |
| Drecht (1) | Oversteekplaats in een veenriviertje. |
| Drecht (2) | Vaart, kreek. |
| Drempel | Stuw met één vast pijl. |
| Dres | Noord-Hollandse benaming voor dries. |
| Dries (1) | Akkers die jarenlang als weiland werden gebruikt of braak bleven liggen. Soms gemeenschapsgrond die beurtelings als bouw- en als grasland werd gebruikt. In midden Nederland ook wel ook wel driest en in Noord-Holland dres genoemd. |
| Dries (2) | Open ruimte binnen de kom van een dorp of een gehucht in Limburg, oorspronkelijk bedoeld om het vee te verzamelen, ook wel bies(t) genoemd |
| Drieslagstelsel | Landbouwsysteem waarbij de akker elke drie jaar een jaar braak bleef liggen en werd deze gebruikt als weiland. Dit kwam de vruchtbaarheid ten goede. Met de introductie van de klaver, begin 18e eeuw, kwam een einde aan deze methode. Klaver voegt stikstof toe aan de bodem. |
| Driesnederzetting | Laatmiddeleeuwse nederzetting in Limburg, ontstaan rondom een dries of bies(t), zie aldaar |
| Driest | Midden-Nederlandse benaming voor dries. |
| Drift (1) | Uitwaaierende strook land waarlangs het vee naar de brink gedreven werd. Vaak heten ze Koeweg, Veeweg, Veestraat of Schaapssteeg. Om het vee van de akkergronden te weren waren de veedriften voorzien van hagen. Door intensieve beweiding komen op deze strook op sommige plaatsen kleinschalige zandverstuiving voor. Wordt ook wel veedrift genoemd; zie ook heerdgang. |
| Drift (2) | Waterloop. |
| Drijftil [artikel] | Klein drijvend eilandje in een laagveenplas, schijnland. Fenomeen in het verlandingsproces, het ontstaan van veen of land uit water. Vaak zit een drijftil met plantenwortels aan de bodem vast. Zie ook kragge en trilveen. |
| Drinkkuil | Vroeger werd er tijdens droge zomers zout water in de sloten gelaten om verdere inklinking van het veen te voorkomen. Voor het vee was dan een drinkkuil met zoetwater van belang die aan de rand van het erf of op het land werd gegraven. Drinkkuilen zijn na de jaren ' 30 van de 20e eeuw vaak gebruikt om afval in te storten. In enkele gevallen zijn ze nog aanwezig al dan niet droogstaand. |
| Droge heide | Met struikheide begroeide heidevelden, door schaapskudden begraasd, in tegenstelling tot natte heide. Zie ook heide. |
| Dromer(dijk) | Extra dijk voor het geval de slaperdijk geen stand houdt, de laatste in het rijtje waker - slaper - dromer. Zie verder bij dijken. |
| Droogdal | Een door samenspel van solifluctie en sneeuwsmeltwaterstromen tijdens een ijstijd gevormd dal. De bevroren bodem was ooit ondoorlatend, nu meestal niet meer waardoor het dal geen water meer zal bevatten. |
| Droogmakerij | Bemalen gebied (polder) dat van oorsprong een meer, een veenplas of ander groot open water was. Droogmakerijen zijn volledig naar menselijk inzicht ingericht. De in 1612 drooggemalen Beemster is het bekendste voorbeeld en staat op de UNESCO werelderfgoedlijst. Zie ook (laag)veenpolder en zeekleipolder. |
| Drost, drossaert | Een hoge rechterlijke ambtenaar, te vergelijken met een baljuw. |
| Drumlin | Iers woord voor een in de (derde) ijstijd gevormde heuvel die in het Nederlands ook wel een keileembult wordt genoemd. Drumlins hebben meestal een ovale vorm waarvan de langste as de bewegingsrichting van het ijs aangaf. Wanneer er genoeg kracht achter het ijs zat, schoof het over de stuwwallen heen, waarbij de toppen van de stuwwal werden gestroomlijnd. Er bleven ovale heuvels over, die na het terugtrekken van het ijs een flink stuk boven hun omgeving uitstaken. Drumlins zijn te vinden op Texel, Wieringen, Urk en Schokland en in Gaasterland en het Land van Vollenhove. De mooiste drumlin is de Hooge Berg op Texel. Middenin het lage land ligt een puist van vijftien meter hoog. |
| Duiker | Waterdoorgang onder wegen of dijken. Wordt ook wel zinker genoemd. Zie ook grondduiker. |
| Duikersluis | Koker die dient voor de afwatering of waterinlaat van de watergebieden aan weerskanten van een weg of een kanaal. In de duikersluis zijn deuren en/of schuiven aangebracht, waarmee de doorgaande hoeveelheid water geregeld kan worden. Zie verder bij sluis. |
| Duinen | Zanderige rug aan de kust, van de kust af onderverdeeld in:
- Zeereep begroeid met helm en biestarwegras (buitenste zeewering);
- Buitenduinen of Struweelzone, begroeid met duindoorn en grassen (onderdeel jonge duinen);
- Middenduinen of Struweelboszone, begroeid met kardinaalsmuts, berken, eiken en liguster (onderdeel jonge duinen);
- Binnenduinen of Boszone, begroeid met loof- en dennenbossen (onderdeel jonge duinen); en
- Oude duinen, die grotendeels afgegraven is (de huidige geestgronden).
Zie ook de diverse duintypen:
- Dwarsduin: Relatief recht duin waarvan de kam loodrecht op de windrichting staat.
- Barchaan: Duin in een langgerekte halvemaanvorm waarvan de punten van de wind af wijzen. Wordt ook wel blinkerd, paraboolduin of sikkelduin genoemd.
- Lengteduin: Grote symmetrische duin parallel aan de windrichting.
- Nol: Zandheuvel of lage duin. Wordt soms ook wel kling genoemd.
- Kling: Nieuwe nog zandstuivende duin, veelal met helm beplant (Goeree Overflakkee).
- Klink: Niet begroeide heuvel in het binnenduingebied.
- Fortduin: Duin rond een alleenstaande of ondergestoven boom of boomgroep.
|
| Duinmeer | Meertje in de duinen op een ondoorlatende laag, of op een plaats waar de grondwaterspiegel lager ligt dan de duinvallei. Duinmeren zijn voedselarm en hebben nauwelijks vis. |
| Duinbeek | Beekje in de binnenduinrand, voortkomend uit een duinrel. De meeste duinbeken zijn verdwenen, maar op landgoed Beeckestein in Velsen is er één hersteld. |
| Duinpan, pan | Komvormige laagte tussen twee (parabool)duinen. |
| Duinrel | Beekje dat in de buurt van de binnenduinrand ontspringt en naar het achterliggende polderland wegstroomt. Door infiltratie van regenwater (in de duinen valt meer water dan er wordt verdampt of door de planten wordt gebruikt) bevindt zich onder de duinen een grote en diepe bel met zoet grondwater die het zoute grondwater, dat vanuit de zee in de ondergrond binnendringt, naar beneden wegdrukt. De rest van het overtollige water vloeit via deze duinrellen weg. Een duinrel is erg schoon en bevat heel weinig voedingsstoffen, doordat het zand van de duinen als een soort filter werkt. Er komen speciale planten en dieren in duinrellen voor, die zijn aangepast aan voedselarme omstandigheden. Door het afgraven van de oude duinen en de drinkwaterwinning zijn de meeste duinrellen verdwenen. In duinen waar geen drinkwater wordt gewonnen zoals in Voorne’s Duin of op Schiermonnikoog, bleven de duinrellen voor een groot deel in tact. Op verschillende plaatsen, zoals op Texel en in de Amsterdamse Waterleidingduinen heeft men weer duinrellen uitgegraven. Zie ook duinbeekje. |
| Duinvallei | Laagte tussen een oude zeereep en een nieuwe zeereep, oorspronkelijke strandvlakte (primair) of laagte door winderosie uitgeblazen tot het grondwaterniveau (secundair). |
| Duinvoet | Grens tussen zowel duin- en poldergebied als overgang van het droge strand in de duinenrij. |
| Duivenslagpoort | Poort op een dam, die aan de achterkant van borgen en boerderijen in een rondlopende gracht lag. Bovenop de poort bevindt zich over de gehele lengte een duivenhok. Ze ontstonden in de 17e en 18e eeuw in het noorden van het land, een voorbeeld is te zien in Leens. |
| Dukdalf | Aaneengeklonken paalwerk in havens, genoemd naar de gehate hertog van Alva (Duc d'Albe, 1508-1582). Zoals de touwen om de dukdalf geworpen worden, zo zouden ze ook om de hals van Alva geworpen moeten worden. |
| Dulf | Sloot (Zeeland). |
| Dwangmolen | Molen waar de bewoners van een bepaalde plaats gedwongen werden hun graan te laten malen. |
| Dwarsdijk | Dijk van rivier tot rivier om van boven komend overstromingswater te keren. Wordt ook wel zijkade of zijd(e)wende genoemd. Zie verder ook bij dijken. |
| Dwarsduin | Relatief recht duin waarvan de kam loodrecht op de windrichting staat. |
| Dwinger | Friese en Groningse benaming voor een bastion. |
| [begin pagina] | |
| Ecoduct | Viaduct waar dieren een (snel)weg over kunnen steken. Meestal groen beplant; dieren worden via een trechtervormig toelopende hekken naar de oversteek geleid. |
| Ecologische hoofdstructuur (EHS) | Samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen (natuurgebieden en ecologische verbindingszones), zoals opgenomen in het Natuurbeleidsplan en Structuurschema Groene Ruimte. |
| Ecologische verbindingszones | Corridors met als doel de afzonderlijke kerngebieden binnen de EHS met elkaar te verbinden tot een samenhangend ecologisch netwerk. |
| Ee, eem | Water, beek |
| Eendenkooi [artikel] | Vanginrichting voor wilde eenden, met geboomte (zie kooibos) omzoomde vijver (kolk of kooiplas) met vier steeds smaller wordende slootjes (vangpijpen). Vroeger ving de kooiker hier eenden voor het vlees, tegenwoordig worden de inrichtingen alleen nog gebruikt om eenden te ringen. Om de rust in de kooi te garanderen, mag er binnen een bepaalde cirkel vanuit het midden van de kooi niet worden gejaagd. Een eendenkooi is dan ook vaak aan de palen waarop met bordjes dit afpalingsrecht is vastgelegd te herkennen. |
| Ees | Valge |
| Effluent | Gezuiverd afvalwater dat van de zuiveringsinrichting wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het vuile water dat de zuivering inkomt wordt influent genoemd. |
| Eikengeriefhout | Eikenbosje in de nabijheid van het boerenerf, waarvan het hout gebruikt werd bij het onderhoud van het huis, schuren en gereedschap. Zie ook geriefhout, koebos en strubben. |
| Eindmorene | Een opeenhoping van glaciaal puin in een rug voor de kop van een gletsjer. Zie ook morene. |
| Elzenbroek | Drassig elzenhout in beekdalen in het zandlandschap. |
| Elzenmeet | Complex van lage aarden walletjes beplant met elzen. |
| Elzensingel, elzenhaag | Rij met elzen langs slootkanten, ontstaan door spontaan ontkiemende elzenzaadjes. De vroegere boeren waren blij met de op hun perceelsranden kiemende boompjes en zaagden ze periodiek af voor brandhout en gebruikshout. Later werd het elzenhout ook gebruikt in ijzersmelterijen voor steenkool het hout verdrong. Nadat de functie van elzensingels was komen te vervallen (na de Tweede Wereldoorlog) groeiden veel elzensingels uit tot grote bomen. Sommige gebieden, zoals de Gelderse Vallei, het gebied rond Staphorst, Midden-Brabant en gebieden in Utrecht bestonden voor de ruilverkavelingen vrijwel uitsluitend uit smalle weideperceeltjes omgeven door elzensingels. |
| Endkamer | Huisje dat aan de boerderij werd gebouwd voor de ouders van de boer. In Twenthe ook wel bo(a)venkamer genoemd. |
| Eng, enk | Midden- en Oost-Nederlandse term voor es, bouwland, oorspronkelijk het geheel der bijeen liggende gronden van de markgenoten, vaak eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen |
| Engelse landschapsstijl | Stijl waarin een ideaal of een wijds landschap wordt nagebootst; kenmerkt zich door slingerende paden, waterpartijen en onverwachte vergezichten |
| Enkeerdgrond | Door de mens gevormde bodem van 50 cm of dikkere laag die een hoog percentage organisch materiaal bevat. Is langdurig bemest en wordt in verband gebracht met de potstal. |
| Enveloppe | Doorlopende beschermingswal rondom een versterking, meestal voorzien van een gedekte weg. Ligt tussen de buiten- en de binnengracht in. |
| Erfgooier | Gooilander die afstammeling is van de oorspronkelijke bewoners en - via een marke - rechten op de gemene gronden van het Gooiland bezit. Om de groep grondgebruikers klein te houden kwamen er op een gegeven moment scharende erfgooiers (in bezig van schaarrechten, mochten grond verbouwen en vee laten grazen op gemene gronden) en niet-scharende erfgooiers (moesten toevlucht nemen in andere beroepen). De rechten van de erfgooiers zijn in 1404 vastgelegd. In 1836 verdeelde de overheid de gronden: 3.600 hectare grond ging naar de erfgooiers, 1.700 hectare naar de staat (voornamelijk bos- en heidegrond). De oorspronkelijke marke ging begin 20e eeuw 'Stad en Lande' heten en ook niet erfgooiers kwamen er in het bestuur. In 1912 werd met de Erfgooierswet de situatie in de vereniging gesaneerd en werd een redelijk evenwicht bereikt tussen belangen van de scharende erfgooiers en de zes Gooise gemeenten. De aantasting van de natuur ging echter voort en in 1932 werd de Stichting Goois Natuurreservaat opgericht: met een wijziging in de Erfgooierswet werd de verkoop van gemene gronden aan de Stichting mogelijk. In 1979 is de vereniging van erfgooiers ontbonden. |
| Erftoegangsweg | Weg buiten de bebouwde kom in een verblijfsgebied (zoals de 60 kilometer wegen). |
| Eroev | Een eroev (volledig: eroew chatzerot) is een gracht, omheining of muur rond een gebied waarbinnen joden tijdens de sjabbat goederen mogen vervoeren. Voor de Amsterdamse joden fungeerden aanvankelijk de stadsmuren als afsluiting, maar toen door stedelijke groei de muren geslecht werden ging men over op kunstmatige grensafsluitingen en werden er in 1863 en 1864 sjabbatkettingen over de vaste Singelgrachtbruggen geplaatst. Met het vaststellen van nieuwe stadsgrenzen na de stadsuitbreiding in 1906 geraakten sjabbatpalen in zwang (kastjes voor sjabbatkettingen). De meeste sjabbatpalen zijn in de oorlog door de Duitsers gesloopt, maar op de Kalfjeslaan, nabij de molen aan de Amstel, staat er nog een. De Amsterdamse eroev werd in 1972 afgeschaft om in 2008 weer hersteld te worden. De grens loopt langs het Amstel-Drechtkanaal tussen Uithoorn en Mijdrecht, ten noorden van Nieuwveen en langs de Drecht, voorbij Leimuiden via de Ringvaart Haarlemmermeer. De Utrechtsebrug is een vaste oeververbinding en dus moest er een (symbolische) afsluiting komen. Die werd gevonden in een kastje met een aantal touwtjes erin die over de weg gespannen kunnen worden. In dit geval staat op de middenberm een paaltje met weerhaken en aan weerszijden een Valge. |
| Erosie | Uit- of wegslijten van grond door stromend water (fluviatiele erosie) of de wind (eolische erosie). |
| Es | Bijeenliggende (bolle) akkers op de zandgronden van Noord-Nederland, vaak door houtwal beschermd, eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen uit de potstallen (waar de schapen 's nachts verbleven). Iedere boer was eigenaar van een paar stukjes grond op de es. Grote essen verschenen vooral in Drenthe en op de stuwwallen, elders bleven ook kleine individuele essen (eenmansessen of kampen) bestaan. In het Groningse Westerwolde heten deze kleinere essen tangen. In Midden- en Oost-Nederland wordt een es ook wel eng of enk genoemd. Typen es zijn:
- Blokvormige es, naast de huiskampen onregelmatig verkaveld;
- Enkelstrepige bouwlanden, grootschalig verkaveld, lange smalle percelen in dezelfde richting;
- Meerstrepige bouwlanden met meerdere perceelvormen, strepen kruisen elkaar;
- Gewannverkaveling met in stroken onderverdeelde blokken die elkaar kruisen;
|
| Esdorp | Dorpstype, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), omgeven door boerderijen en akkers (essen), ook bekend onder de naam brinkdorp |
| Esdorpenlandschap | In de Middeleeuwen ontstaan landschap met driedeling in grondgebruik: essen (akkers), gras- en hooilanden (o.a. madelanden) en heide (Noord-Nederland) |
| Esker | Langgerekte, soms kronkelende en zich vertakkende rug, die is ontstaan doordat onder het landijs stromend smeltwater materiaal aanvoerde en achterliet, zie ook pseudeo esker. |
| Essenzwerm | Verspreide akkers die net genoeg land hebben voor één of twee boerderijen. Komen veel voor in Oost-Nederland, zoals op de dekzandruggen langs de Dinkelvallei. |
| Estuarium | Door getijdenstromen ontstane wijde, trechtervormige riviermonding. De binnendringende vloedstroom en de terugstromende ebstroom zetten geen sedimenten af. Een ander type riviermonding is de delta die is gevormd door materiaal dat door de rivier zelf aangevoerd is. |
| Eswal | Beboste aarden wal die een es afscheidde van de woeste gronden op de hogere en drogere delen van Oost-Nederland, aanvankelijk met een gevlochten takkenscherm dat later vervangen werd door levend hout. Een eswal hield het wild buiten en het weidende vee binnen de es. Omdat de akkers in de loop van de tijd werden opgehoogd met mest, plaggen en huishoudelijk afval, werd de eswal aan de kant van de akker geleidelijk bedolven. Wordt ook wel vreding of wildgraaf genoemd. |
| Etang | Zie haf. |
| Etsel | Wei- of hooiland. |
| Eutrofiëring | Aanvoer van voedselrijk water als gevolg van mestoverschotten producerende landbouwgebieden en voedselrijke neerslag. Heidegebieden vergrassen hierdoor. |
| Etstoel | Tot 1791 hoogste gerechtshof in Drenthe, zie dingspel. |
| Exclosure | Uitgerasterd proefgebied waar grazers niet in kunnen. |
| [begin pagina] | |
| Faunapassage | Passage waar dieren een drukke weg kunnen oversteken, voorbeelden zijn dassentunnel, stobbenwal en ecoduct. |
| Fausse-braie | Voor en onderlangs een vestingwal gelegen borstwering voor geweerschutters, met als doel de voorgelegen gracht frontaal met vuur te kunnen bestrijken. Wordt ook wel onder- of voorwal genoemd. |
| Fazanterie | Inrichting op een landgoed waar fazanten worden gehouden. |
| Fehting, feit | Zie dobbe. |
| Feldmässiger Ausbau | Type bunker, zie aldaar. |
| Femelbos | Bos dat beheerd wordt met femelslag, een zeldzame beheermethode. Dit wil zeggen dat er steeds kleine stukken bos uitgekapt worden zodat niet, zoals bij complete kaalslag, het hele ecosysteem vernietigd wordt. |
| Fenne | Noord-Nederlandse naam voor venne, laaggelegen weiland |
| Feodaal goed | Onroerend goed waarvan het gebruiksrecht wordt overgedragen door leenheer en leenmannen. Het tegenovergestelde van een allodiaal goed, vrij of eigen goed, met volledig eigendomsrecht naar burgerlijk recht. |
| Festung IJmuiden | Door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog aangelegde vesting rond IJmuiden ter verdediging van de Hoogovens en andere industrieën gevestigd in IJmuiden evenals de grote zeesluizen, de havens van IJmuiden en Amsterdam. Festung IJmuiden bestaat uit een zee- en land front en was geheel omringd met een anti-tankgracht, bestaande uit drakentand hindernissen, tankmuren, tankgrachten en steile duinen. De antitank hindernis was op meerdere plaatsen onderbroken om het verkeer in en uit de Festung te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. |
| Flêche | Simpele versterking, of schans, opgebouwd uit aarden wallen, ook wel redoute genoemd |
| Fliegerhorst | Duitse naam voor een militaire vliegveld in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de Duitse inval in Nederland in mei 1940 begonnen de Duitsers meteen met de opwaardering van een aantal Nederlandse vliegkampen (Schiphol, Leeuwarden, Twente, Eindhoven, Gilze-Rijen, Hilversum, Soesterberg, Venlo, Deelen-Arnhem en Woensdrecht) en de aanleg van een twee nieuwe (Havelte-Steenwijk en Uden-Volkel). Bij Havelte moest in 1942 het buurtschap Darp in zijn geheel wijken voor de aanleg van landings- en rolbanen, verdedigingslinies en gebouwen. Langs de zuidhelling van de Havelterberg werden verschillende openluchthangars aangelegd. De hangars bestonden uit grote cirkelvormige aarden wallen. Hierin stonden onder camouflagemateriaal jachtvliegtuigen verborgen. De aarden wallen dienden ter bescherming tegen bom- en granaatscherven. Na de oorlog zijn de hangars begroeid geraakt, uit het zicht verdwenen en vergeten. In het kader van de 'Kwaliteitsimpuls Westerveld' zijn inmiddels diverse cultuurwaarden hersteld. Een oude vliegtuighangar aan de rand van de Havelterberg is weer zichtbaar gemaakt en hersteld. |
| Follie | Romantisch gebouwtje zonder verdere functie in een landschapstuin, dat een bepaalde stemming moet oproepen of bijdraagt aan een schilderachtig effect. |
| Foort | Doorwaadbare plaats in een rivier, meestal voorde genoemd. Komt voor in plaatsnamen, zoals Amersfoort. |
| Fort (1) | Naar alle zijden verdedigbaar, gesloten vestingwerk, dat zelfstandig kan worden verdedigd. Het is meestal kleiner dan een vesting, maar groter dan een schans. Anders dan in een vesting bevindt zich in een fort alleen militaire bezetting. Forten verloren hun militaire functie na de uitvinding van de brisantgranaat in 1885. Bomvrije muren waren nog wel bestand tegen deze nieuwe granaat, het metselwerk echter niet. |
| Fort (2) | Langzaam opgestoven heuvel, waar zich steeds weer planten konden vestigen (stuifzandgebieden), zie ook wal. |
| Fortduin | Duin rond een alleenstaande of ondergestoven boom of boomgroep. Komt zowel voor in het duingebied als op zandverstuivingen. |
| Fossé | Doodlopende sloot die loodrecht op de boven- en benedensloot staan in een vloeiweide. |
| Franje-ontginning | Verlenging van Gewannen in buitenwaartse richting (Noord-Brabant) |
| Freatische grondwaterstand | Grondwaterspiegel. |
| Friese stal | Stalindeling waarbij koeien twee aan twee tussen houten schotten met de kop naar de buitengevel staan; de groep ligt aan de binnenkant, vergelijk Hollandse stal en Ligboxenstal |
| Fruitmuur | Op de zon en uit de wind gerichte muur waar fruit op een bepaalde manier tegenaangroeit. Zie slangenmuur. |
| [begin pagina] | |
| Gaast | Zandgrond (Fries, b.v. Gaasterland) |
| Gaffelwijk | Drietandwijksysteem, drie wijken komen bij elkaar voordat ze samen uitkomen in het hoofddiep, o.a. in de Peel |
| Galgenberg | Heuvel waarop de galgen stonden, soms ter afschrikking van nieuwkomers bij invalswegen, maar soms ook echt gebruikt. In Drenthe is nog een aantal galgenbergen te zien bij Sleen, Anloo en Balloo. |
| Gashouder | Grote voorraadtank voor gas dat uit steenkool werd gewonnen en voor industrieel of huishoudelijk gebruik tijdelijk werd opgeslagen. De meeste gashouders zijn gesloopt na de introductie van aardgas ; de enige nog complete gashouder in Nederland staat in Dedemsvaart. |
| Gastel, gestel | Bos op zandgrond (b.v. Luyksgestel). |
| Gebiedsontsluitingsweg | Weg buiten de bebouwde kom die dient voor het bereikbaar maken van gebieden (de 80 kilometer wegen). |
| Gebint | Samenstel van twee verticale balken, de gebintstijlen, en één horizontale balk, de de gebintbalk; een gebintconstructie bestaat dus uit meerdere gebinten |
| Gedekte weg | Doorlopende, door een aarden wal beschermde weg aan de buitenzijde van de gracht of in de enveloppe (tussen binnen- en buitengracht) van een vestingwerk. |
| Geest, gast | Lang, ovaalvormig, zanderig bouwland op strandwallen voor de kust, met aan weerszijden een weg, omgeven door houtwallen. Bij Limmen is het oorspronkelijke patroon, waarbij het dorp gebouw werd op de plek waar de langs de geest lopende wegen bij elkaar komen, nog goed te herkennen. Komt voor in namen zoals Oegstgeest. |
| Geestgronden | Afgegraven en geëgaliseerde oude duinen aan de binnenduinrand, kalkhoudend en geschikt voor de bollenteelt. |
| Gemeenlandshuis | Vergaderhuis van een waterschap of polderbestuur. |
| Gemak | WC gebouwtje op het erf van een boerderij, in de nabijheid van een sloot waar geen drinkwater uit gehaald werd. |
| Gemaal | Installatie om water van een lager naar een hoger niveau te brengen. Het brengt of houdt water in een peilgebied op een bepaald peil. Gemalen namen in de 19e eeuw de taak van de molens langzaam over en werkten aanvankelijk op stoom, later op diesel en tegenwoordig in het algemeen electrisch. Een aantal gemalen gebruikt vijzels om het water omhoog te brengen, andere gebruiken verticale schroefpompen of een centrifugaalpomp. Een gemaal kan een afvoergemaal zijn, met als functie het water uit een bepaald gebied te pompen (de meest gebruikte toepassing), of een aanvoergemaal, met als functie het water in een bepaald gebied te pompen. Bij een onderbemaling wordt met behulp van een pompinrichting een peil gehanteerd dat lager is dan het vastgestelde peil; bij een opmaling wordt een hoger peil gehandhaafd met behulp van een pompinrichting of een inlaat vanuit een ander peilgebied. Typen gemalen zijn:
- Poldergemaal, een gemaal dat het uitmalen van het water uit de polder naar de boezem verzorgt. Is onder te verdelen in een hoofd- en een sub-poldergemaal.
- Boezemgemaal, een gemaal dat het uitmalen van het water uit de boezem verzorgt. Boezemgemalen zijn de laatste schakel in de keten: ze malen het water uit naar oppervlaktewater dat in directe verbinding staat met een rivier of ander water dat op natuurlijke wijze in zee uitmondt. Een boezemgemaal heeft een hogere capaciteit dan een poldergemaal.
- Rioolgemaal, een gemaal in een rioolstelsel om afvalwater naar een hoger peil te brengen of over langere afstand te transporteren.
|
| Gemet | Halve hectare (b.v. Tiengemeten). |
| Gemeinte | Zuid-Nederlandse term voor marke. Het land werd hier echter verdeeld onder alle ingezetenen, dus was er geen sprake van waardelen. Oorspronkelijk grondheerlijk bezit, ook wel vroonte genoemd. Zie ook boerenorganisaties. |
| Gérende verkaveling | Verdeling van een stuk grond in min of meer regelmatige stroken die naar achteren toe steeds smaller worden en soms samenkomen in één punt (b.v. polder de Ronde Hoep bij Ouderkerk a/d Amstel). Zie ook andere typen verkaveling. |
| Geriefhout, boerengeriefhout | Hout voor eigen gebruik van een boerderij uit boerengeriefbosjes en houtwallen: essenhout voor stelen van gereedschap, berkenhout voor bezems en wilgenhout voor in de kachel. Een sloot beschermde het geriefhoutbosje voor de vraatzucht van het vee. deze bosjes komen veel voor in het veenweidegebied van het Groene Hart en zijn soms van oorsprong pestbosjes. Zie ook koebos, eikengeriefhout en strubben. |
| Gestrekt dorp | Zie lintbebouwing |
| Getijdenmolen | Waterradmolen in het Zeeuwse getijdengebied met een basin dat bij vloed volliep en bij eb leegliep. |
| Getijdenrivier | Rivier waarin de invloed van de getijden, eb en vloed, merkbaar is. |
| Geul | Smal, diep water, verbonden met zeegaten. Bij vloed stroomt water via de geulen het Waddengebied binnen, bij eb stroomt het water weer terug. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen getijdengeulen en wadgeulen. De getijdengeulen zijn diep als gevolg van de uitschurende getijdenwerking. De wadgeulen zijn vertakkingen van de getijdengeulen. Ze zijn smaller en ondieper. Een wadgeul ligt steeds onder de laagwaterlijn en blijft dus bij eb nog onder water. De sterke stroomsnelheden in de geul zorgen voor een vrijwel volledig wegspoelen van klei. Alleen zand en ander grof materiaal, zoals geërodeerde schelpen en uit de kwelder afkomstige ijzerconcentraties, worden daarom als geulopvulling aangetroffen. In Zeeland ook wel priel genoemd. |
| Geveltekens | In Oost Nederland (met name Twenthe en de Achterhoek) komen veel oude Saksische geveltekens voor op boerderijen:
- Gekruiste paardenkoppen werden (vooral in Twenthe) toegepast ter afwering van onheil, maar hebben volgens sommigen ook een bouwkundige oorsprong. Deze tekens wordne ook wel 'Horsa en Hengest' genoemd [afbeelding]. Sinds het midden van de achttiende eeuw werden de gekruiste paardenkoppen steeds meer vervangen door de jongere protestantse en katholieke geveltekens.
- De donderbezem was aanvankelijk een bundeltje samengebonden riet waarmee het wolfseind van het dak werd dichtgemaakt en later een gesneden houten plank met een dubbele haak om brand, blikseminslag, tovenarij en onheil af te weren. Een deonderbezem is een houten imitatie van het plantje huislook, dat vroeger veel op (rieten) daken geplant werd om brand (na blikseminslag) te voorkomen. Vaak werd de donderbezem gecombineerd met christelijke symbolen als een hostie, heilig hart of levensboom [afbeelding].
- Katholieke geveltekens, vooral toegepast na de reformatie, toen veel Twentse boeren katholiek bleven. Katholieke motieven zijn: miskelk, heilig hart, hostie, kruis, spijkers van het kruis, eimotief (als symbool van opstanding en hoop), anker, duif (teken van de Heilige Geest), paradijsboom, maansikkel (als symbool voor Maria), zonnewiel en de zesster (Christussymbool en tevens onheilafwerend). In Twenthe komen ook Jaan & Greet, twee in boerenkleding gestoken personen voor (van St Johannis en St Margriet).
- Protestantse geveltekens zijn minder uitbundig, later ontstaan, en hebben minder religieuze betekenis. Protestantse symbolen zijn: lelie (Achterhoek, Twente), zonnewiel (Twente, Salland, Achterhoek), driespruit (3 eenheid, afgeleide van de donderbezem), levensboom en haan. Vaak werden bij protestanten ook nevenberoepen uitgebeeld in het gevelteken: jeneverglas (caféhouder) en schaar (kleermaker).
|
| Gewannverkaveling | In stroken onderverdeelde blokken, zie es en andere typen verkaveling |
| Glaciaal | Afzettingen gevormd door landijs in het pleistoceen: zwerfstenen, morene/gletsjerpuin en keileem |
| Glijoever | De binnenbocht van een rivier of beek. Het water stroomt aan de glijoever het minst snel, waardoor grond afgezet kan worden. Tegenovergestelde van stootoever. |
| -go | Landstreek (Friesland en Groningen, b.v. Westergo), komt van gouw |
| Goedjaarsend | Aanbouw achter een woning. In de Zaanstreek werd als men het jaar zakelijk goed had afgesloten vaak een deel aan de woning bijgebouwd. |
| Gooi | Landstreek, komt van gouw. Gooi of Go is een verwijzing naar een complex oorspronkelijke koningsgoederen. De oude naam van deze landstreek is Nardinclant. |
| Goor | Laaggelegen, moerassig land. |
| Goorn | Moestuin, gelegen tussen het dorp en de es. |
| Gors | Bij hoge vloed (springvloed) onderlopende begroeide gronden in het buitendijkse getijdengebied van Zuid-Holland. In Zeeland schor en in het Waddengebied kwelder genoemd. |
| Gouw (1) | Deel van een Frankische provincie, vaak onderverdeeld in kwartieren, in het algemeen ook landstreek; zie ook go en gooi |
| Gouw (2) | Wateren en later ook de dijken er omheen waarover men zich verplaatste (letterlijk 'ga-weg' |
| Graaf, graven | Sloot |
| Graanspieker | Zie spieker. |
| Grafheuvel | Monument voor doden uit de nieuwe steentijd en de bronstijd (vanaf ongeveer 3000 v. Chr.), ook wel tumulus genoemd. |
| Graft | Steilhelling die een leemhelling in het Limburgse heuvelland verdeelt in minder steile terrassen, ligt evenwijdig aan de hoogtelijnen. Om erosie tegen te gaan werden op de steilere bouwlanden in Limburg heggen geplant. Doordat er tegen de heggen materiaal aanspoelde (colluvium) en achter de heggen materiaal wegspoelde, onstonden graften of steilranden. Graften doen ook dienst als veekering, afscheiding en leverancier van geriefhout. In het begin van de jaren '80 telde Zuid-Limburg nog 2300 graften met een totale lengte van 210 kilometer. |
| Graskamp | Weiland aan een beek, aan de rand van een es gelegen. Zie ook maat. |
| Grauwveen | Veenlaag onder de bonkaarde in hoogveengebieden. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Wordt ook wel witveen genoemd. Zie droge vervening. |
| Grensboom, grenslinde | Vroeger werden lindebomen aangeplant op grenzen van eigendommen, op punten waar nieuwe bedijkingen werden gestart of om vroegere dijkdoorbraken te markeren. Dergelijke bomen werden veelal halverwege de 18e eeuw geplant en komen veel voor op Zuid - Beveland: Op de dijken in de gemeentes Goes en Kapelle zijn de grenslindes markante herkenningspunten. |
| Greppel | Uitgraving in het land waarlangs overtollig water kan worden afgevoerd. Zie ook rabat (1). |
| Grie | Oorspronkelijk naar zee toe open weiland (vaak gemeenschappelijk), worden bij hoog water overstroomd, wat voor bemesting zorgt (Waddeneilanden) |
| Griend | Laaggelegen (intergetijde-) gebied langs de rivieren dat veelvuldig onder loopt, is beplant met rijs- en wilgenhout. Snijgriend wordt jaarlijks afgesneden, hakgriend eens per drie à vier jaar. Grienden worden in het westelijke rivierengebied ook wel rijswaarden genoemd. Bekendste griendengebied is de Bieschbosch. |
| Grift | Gegraven wetering |
| Grindkeet | Houten keet die dienst deed / doet als schaft- en slaapgelegenheid. |
| Grippe | Greppel behorende bij het bouwland, verbinding naar een sloot (Goeree Overflakkee) |
| Groengronden | Onbemeste graslanden in de beekdalen van het zandlandschap |
| Groenland | Wei- of hooiland |
| Groep, grup | Goot in een groepstal voor het opvangen van de koeienmest. Wordt dagelijks uitgemest. |
| Groepstal | Stal met stand (verhoogd deel waar de dieren op staan), groep en voerstand. Is hygiënischer dan een potstal. |
| Groes | Wei- of hooiland |
| Groeve [artikel] | Plaats waar ooit delfstoffen zijn gewonnen |
| Grondduiker | Buis om water onder de bedding van een ander, hoger gelegen water door te voeren. Wordt ook wel dompelaar genoemd. Zie ook duiker. |
| Grondwater | Water in de bovenste grondlagen, waarvan de hoogte beïnvloed wordt door de stand van het oppervlaktewater en de grondsoort. Zie ook bodemwater en bodemvocht. |
| Grondwaterkering | Kunstmatige constructie die ontworpen is om verplaatsing van grondwater te voorkomen. Hiervoor kunnen damwanden, diepwanden of groutschermen toegepast worden. |
| Grondwateronderlast | Te lage grondwaterstand waardoor paalkoppen van funderingen droogvallen. |
| Grondwaterspiegel | Bovenste vlak van het grondwater, scheidslijn tussen verzadigde en onverzadigde zone. Zie ook freatische grondwaterstand. |
| Grondwaterstand | Hoogte van de grondwaterspiegel ten opzicht van het maaiveld. |
| Grubbe (1) | Natuurlijke watergang in het Limburgse heuvelland die overtollige neerslag na een regenbui naar de beek leidt, is soms een holleweg. |
| Grubbe (2) | Met struikgewas begroeid onderste dalgedeelte (b.v. Grubbenvorst). |
| Grubbenbos | Hellingbos, meestal geïsoleerd gesitueerd tussen akkers op hellingen in smalle diepe droogdalen (grubben) of langs holle wegen (met name in Zuid - Limburg). |
| [begin pagina] | |
| Haag | Minimaal eenmaal maar gewoonlijk tweemaal per jaar geschoren lijnvormige aanplant van dicht opeen geplaatste struiken. Vanwege het vrij intensieve beheer wordt een haag gewoonlijk vrij laag gehouden en groeit die zelden boven schouderhoogte. Zie heg. |
| Haaimeeten | Vlak begreppeld land omringd door een houtwal, hoagte of schurveling in het zuidwestelijke duinlandschap (Goeree Overflakkee); haaimeten werden 2 jaar gebruikt als bouwland, 5 jaar als weiland en om de 7 jaar werd het hout langs de greppels gekapt; zwakgolvende duinen in dit gebied heten |
| Haaks | Zandbank (b.v. Noorderhaaks). |
| Haakwal | Zie strandhaak. |
| Haar | Hoge beboste zandgrond (rug), vaak temidden van lagere gronden (b.v. Haarlem). Zie ook -schot. |
| Haf | Gedeeltelijk door een strandwal, schoorwal, nehrung of strandhaak afgesloten kustgebied waar een rivier in uitmondt, ook wel etang genoemd; indien er geen rivier in uitkomt spreekt men van een lagune (zia aldaar). |
| Ha ha | Verdiepte, droge gracht in landschappelijk aangelegde tuin. Diende om vee en wild uit de directe omgeving van het woonhuis te weren, terwijl vanuit het huis een ongestoord uitzicht op de tuin bleef bestaan. Er zijn weing ha ha's in Nederland, bij Kasteel Broekhuizen in Leersum ligt er één. |
| Hakgriend | Zie griend. |
| Hakhout | Hout (voornamelijk eikenhout) dat telkens bij de stam wordt afgehakt. In vroeger tijden hadden eekschillers behoefte aan eikenschors voor de bereiding van looizuur. Zie ook strubben. |
| Hakhoutstoof | Stronken van bomen (voornamelijk eiken) waarvan in het verleden om de 10 à 15 jaar de stammetje werden gekapt. Na 1940 werd er nauwelijks meer hakhout verzameld en groeiden de stoven uit tot stammen, die inmiddels 60 jaar oud zijn. |
| Halfbastion | Bastion dat voor de ene helft bestaat uit een naar buiten gerichte zijde (face) en een naar achter gerichte zijde (flank), en voor de andere helft uit een rechte wal, die de saillant rechtstreeks met de courtine verbindt. |
| Halve maan | Vestingwerk in de gracht dat de saillant (punt) van een bastion of een ravelijn dekt. |
| Ham | Buitendijks land. |
| Hank | Deel van een oude rivierloop dat nog water voert, kreek of doodlopend stuk rivier. Langs de Ijssel zijn nog hanken te zien in de Keizers- en Stobbenwaarden, Olster Waarden en Duurse Waarden. |
| Hardhout ooibos | Rivierbegeleidend, hoog gelegen en daardoor zelden overstroomd bos met boomsoorten als eik, iep en es (bomen met hard hout). Zie ook zachthout ooibos. |
| Havezate [artikel] | Versterkt bestuurdershuis in Oost-Nederland en Drenthe waar politieke rechten aan verbonden waren. Vergelijkbaar met een stins of een state in Friesland, een borg in Groningen en een ridderhofstede in Utrecht. Zie ook kasteel. |
| Heemraadschap | Oud-Hollandse benaming voor een waterschap. |
| Heemstede | Boerenhofstede |
| Heemtuin | Tuin waar planten (en dieren) bij elkaar zijn gebracht die van nature in een bepaald gebied (inheems) voorkomen. |
| Heerbaan | Kaarsrechte verbindingsweg tussen militaire steunpunten van de Romeinen |
| Heerd | Groningse boerderij, ook wel state geheten; in Friesland heten veel boerderijen plaats of plaets, in Noord-Holland komt de naam hofstede voor |
| Heerdgang | Dagelijkse gang van de herder met zijn kudde schapen via de (vee)drift naar de weidegronden op de zand- en lössgronden. Werd in Drenthe door de buurschap aangesteld. |
| He(e)rdgang | Buurschap. |
| Heerenweg | Andere naam voor een Koningsweg uit de Karolingische tijd (circa 700 - 900 na Christus). |
| Heerlijkheid | Adellijk goed. |
| Hees | Gemengd berken/beukenbos op droge grond. |
| Heg | Afscheiding van gevlochten levende struiken en bomen, in het verleden gebruikt om eigendom af te schermen of vee van akkers te scheiden. Door de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen verdwenen. Langs de Maas in Noord-Limburg zijn in het zogenaamde Maasheggenlandschap veel heggen overgebleven. Karakteristiek voor de Maasheggen is dat het landschap is verdeeld in een groot aantal kleine percelen die van elkaar zijn gescheiden door meidoorn- en sleedoornheggen. De meidoornstruiken worden half doorgezaagd en naar de zijkant geleid, zodat de struiken in elkaar groeien (dit wordt 'leggen' genoemd). Daar waar gezaagd is, groeien weer nieuwe takken zodat er een hele dichte heg ontstaat. Doordat de heggen zo dicht in elkaar gevlochten zijn, vormen ze een ondoordringbare afscheiding. Iedere keer als de uiterwaarden onder water lopen, helpen de heggen bij het opvangen van slib; als het water zich terugtrekt, blijft het slib achter waardoor de bodem in het gebied erg vruchtbaar is. Heggen hebben een hoge landschappelijke waarde en zijn vindplaatsen van bijzondere planten. Typen heggen zijn:
- Haag, een minimaal eenmaal maar gewoonlijk tweemaal per jaar geschoren lijnvormige aanplant van dicht opeen geplaatste struiken. Vanwege het vrij intensieve beheer wordt een haag gewoonlijk vrij laag gehouden en groeit die zelden boven schouderhoogte.
- Struweelheg, een hooguit een keer in meerdere jaren geschoren of geknipte of afgezette lijnvormige aanplant van (vrij) dicht opeen geplaatste struiken. Deze heggen komen vooral vrijstaand in het landschap voor, bijvoorbeeld tussen akkers. Ze kunnen meerdere meters hoog en breed worden. In feite wordt er een soort hakhoutbeheer op uitgeoefend.
- Tuunheg, een heg geheel of gedeeltelijk bestaande uit dood hout, dat eens in de 3 tot 7 jaar dicht opeen in de grond of in een levende heg werd gestoken.
- Vlechtheg, een heg waarbij door het ineenvlechten van takken en het 'afleggen' een dichte heg wordt gevormd die geschikt is als vee scheiding en als middel om wild buiten de akker of het erf te houden.
- Scheerheg, een heg in Zuid-Limburg die op een hoogte van een halve tot twee meter worden geknipt.
Een takkenril is een min of meer gevlochten heg van dood hout.
|
| Hege wier | Vooral in Friesland gelegen kunstmatige aarden heuvel (motte) uit de Middeleeuwen, opgeworpen ten behoeve van een versterkte woontoren. Van de 108 hege wieren in Friesland zijn er slechts 5 overgebleven. De op de hege wieren gebouwde stinsen zijn allemaal verdwenen, alleen de heuvels zijn er nog. Een hege wier wordt daarom ook wel stinswier genoemd. Deze liggen bij de dorpen Sexbierum, Jellum, Lies, Menaldum en Oosterend. Net als de Zeeuwse vliedberg werden de hege wieren vooral gebouwd als prestige-object van de grondbezittende klasse. De toren werd niet bewoond; daarvoor verkoos men liever het comfort van de herenboerderij ernaast. Slechts in tijden van conflicten werden de hege wieren gebruikt om zich in te verschansen. Net als bij vliedbergen werden en worden de hege wieren vaak aangezien voor vluchtheuvel bij hoog water of voor een terp of wierde. Echter, qua omvang zijn deze heuvels te klein om als vluchtheuvel dienst te kunnen doen. Bovendien zijn er rond verscheidene wieren restanten van grachten aangetroffen. Andere argumenten waarom de hege wieren geen terpen of wierden zijn is het feit dat ze vaak bovenop een dorpsterp zijn aangetroffen of in hooggelegen gebieden zoals Gaasterland of het hooggelegen Garijp. |
| Heide | Met heide begroeide zandgronden met dunne aardlaag. Eind augustus en begin september bloeit de heide. Compleet paars bloeiende heidevelden zijn er niet meer. Deze hadden ook niet zo'n grote natuurwaarde. Ze ontstonden aan het begin van de 19e eeuw toen de boeren de heide niet meer zo intensief gebruikten. Daarvoor speelde de heide een belangrijke rol bij de bemesting van de bouwlanden. In de potstallen werden heideplaggen vermengd met mest en daarna opgebracht op de bouwlanden. De introductie van de kunstmest maakte de heidevelden echter overbodig. In Nederland is er anno 2003 nog ongeveer 40.000 hectare heide, in 19e eeuw is het 500.000 hectare geweest. In de loop van de 19e eeuw werden veel woeste gronden (heide, zandverstuivingen) beplant met naaldhout, waar veel behoefte aan was in de mijnbouw. In de eerste helft van de 20e eeuw werd veel heide omgezet in cultuurgrond. In veel andere gebieden werd veel heide door natuurlijke successie verdrongen door gras, en bos. Alleen in natuurgebieden en militaire oefenterreinen bleef veel heide over. Om heide instand te houden dient er begrazing te zijn, moet de heide af en toe afgeplagd of verbrand worden. Tegenwoordig worden echter wel op verschillende plaatsen grazers ingezet om vergrassing van de heide tegen te gaan. Er zijn verschillende soorten heide:
- struikheide (calluna vulgaris), is in Nederland het meest voorkomend en groeit op droge gronden. Zie ook droge heide.
- dopheide (erica tetralix), groeit op een iets vochtiger bodem. Zie ook natte heide.
- kraaiheide (empetrum nigrum), is een heestertje dat voorkomt in Noord-Nederlandse zandverstuivingen, heidevelden en duinvalleien.
- lepeltjesheide (oxycossus macrocarpos), hoort thuis in Noord-Amerika maar groeit ook op Terschelling, de vruchten (cranberries) zijn eetbaar.
|
| Heideontginningslandschap | Nieuwe ontginningen van heidevelden na ± 1850, in tegenstelling tot het oudere 'oudhoevige type' |
| -heim, -hem | Woonplaats |
| Heideviehbauerntum | Agrarisch systeem vanaf het jaar 1000, meer heidegericht met een aanzienlijke uitbreiding van het akkerareaal, volgde het Waldviehbauerntum op |
| Heimatschutz Architektur | Traditionele architectuurstroming door de Duitse bezetter in de jaren 1940 – 1945 toegepast in Nederland. Bekendste voorbeeld is de bebouwing op de vliegbasis Deelen (door de Duitsers aangelegd als Fliegerhorst Deelen). Gebouwencomplexen zijn hier als brinkdorpjes in het bos aangelegd en betonnen bunkers en hangars zijn onherkenbaar vermomd als stijlvolle boerderijen langs bochtige weggetjes. |
| Heinsloot | Smalle sloot in een polder, vaak grens tussen landerijen. Zie ook poldersloot. |
| Hellingbos | Bos op steile hellingen, om erosie te voorkomen. In het Limburgse heuvelland zijn vrijwel alle bossen gekapt, behalve op de steilste hellingen. |
| Hennepakker | Kleine perceeltjes waarop in de 17e en 18e eeuw hennep werd geteeld voor de fabricage van touw en zeildoek voor de scheepvaart, o.a. in de Alblasserwaard. |
| Hertenbaan | Hertenkamp op een landgoed, onder andere te vinden op Singraven en Elswout. Vroeger hield men wel eens edelherten van de Veluwe, maar tegenwoordig vooral damherten, die gemakkelijker te houden zijn in gevangenschap. |
| Hessenweg | In de Middeleeuwen ontstane handelswegen in Oost-Nederland, oorspronkelijk gevolgd door Duitse kooplieden (uit Hessen) die met hun huifkarren op weg waren naar Utrecht. Omdat de Duitse karren veel breder waren dan de Hollandse, waren de Hessenwegen veel breder dan de overige wegen. Ook liepen ze vaak buiten de dorpen om, omdat men de landbouwgronden rond de dorpen niet wilde opofferen. Zie ook Romeinse weg en Napoleonsweg. |
| Heul | Overdekte waterloop |
| Heurne | Hoek (b.v. Broekheurne) |
| Hil | Erf rond een boerenwoning (Goeree Overflakkee) |
| Hoagte | Onbegroeide wal, met zand opgehoogde schurveling (houtwal) in het zuidwestelijk duinlandschap (Goeree Overflakkee), zie ook Uitmijnen en Haai(ge)meeten |
| Hoeve | Boerderij, ook wel tenure of mansus genoemd |
| Hoevenzwerm | Verspreide (boerderij)bebouwing, vaak in het coulissenlandschap van Oost-Nederland. |
| Hoevestrook | Latere uitbreiding van een kampontginning |
| Hof (1) | Limburgse boerderij |
| Hof (2) | Voorheen bisschoppelijke boerderij in Drenthe |
| Hofmeijer | Opzichter over een hofhouding, met name aan het Merovingische hof (400 - 750 na Chr.). Woonde in een klopjeswoning. |
| Hofstede | Monumentale pachtboerderij of boerderij met ingebouwde herenkamer voor de geldschieter (o.a. Noord-Holland), zie ook heerd en state (Groningen) en plaats (Friesland) |
| Hol, hool | Laag moerasland |
| Hollandse stal | Staltype waarin de koeien met de koppen naar het middenpad staan, vergelijk Friese stal en Ligboxenstal |
| Hollandveen | Veenafzettingen op de afzetting van Calais tijdens het Subboreaal (zo'n 3000 jaar geleden) toen de zeespiegelstijging verminderde en er verzoeting ging optreden in de lagune achter de inmidels ontstane strandwallen van Noord- en West-Nederland (op de afgestorven resten van moerasbossen met elzen, eiken en hazelaars). Hollandveen ligt aan de oppervlakte van de holocene afzettingen in Nederland. Op de strandwallen ontstonden tezelfdertijd de oude duinen. |
| Hollestelle | Kunstmatige heuvel (stelle) met drinkput waarin regenwater blijft staan op de schorren in het Zeeuwse getijdenlandschap. Rond de drinkput was een verhoging gemaakt om te voorkomen dat het zeewater zich met het zoete water kon vermengen. Nu zijn er nog vier historische holle stellen over gebleven: bij Sint Philipsland (Bruinisser stelberg op de Rumoirtschorren uit de 17e eeuw), tussen Wemeldinge en Kattendijke (Zoute Weegje), in de Yerseke Moer (Akkerseweg) en bij Rilland (hoeve Veldzicht). In het Land van Saeftinge zijn er in de jaren '80 van de vorige eeuw twee nieuwe stelbergen gemaakt, waarop onderkomens voor schapen staan. Holle stellen worden ook wel stelbergen genoemd. Ook in andere buitendijks gelegen delen van ons land komen buitendijkse drinkputten voor, onder meer in Noord-Friesland. Dergelijke drinkputten worden aldaar dobben genoemd. |
| Holleweg | Oorspronkelijke afwateringsgeul die op een gegeven moment als weg gebruikt ging worden, is bij regen niet altijd begaanbaar. Voornamelijk vanaf een Limburgs plateau; mooie voorbeelden zijn de Sibbergrubbe (Valkenburg aan de Geul) en de Duuster Steeg (Cadier). Holle wegen komen ook buiten Limburg voor: Op Texel (Hoge Berg), bij de Zoom bij Bergen op Zoom, in Twente (Austieberg), op de Veluwezoom en in het Rijk van Nijmegen. Wordt in Limburg ook wel graat of greet genoemd. Een holle weg tussen een hoger gelegen plateau naar een iets lager deel wordt ook wel gats genoemd. Zie ook grubbe. |
| Holt | Bos van opgaand hout |
| Holtpodzolbodem | Tegenwoordige naam voor vroegere 'bruine bosbodem', rijker dan de veldpodzolbodem |
| Holz | Bos (Limburg) |
| Hoofddiep | Belangrijkste kanaal in het hoogveenlandschap, van waaruit de ontginning werd gestart |
| Hoofdland | Eerste kwaliteit land (Zuidwest-Nederland), in tegenstelling tot volgerland |
| Hoogheemraadschap | Oud-Hollandse benaming voor een groot waterschap belast met de waterstaatszorg over een uitgebreid gebied. Een hoogheemraadschap oefende gezag uit op lagere waterschappen. |
| Hoogstamboomgaard | Boomgaard waarin (vaak verschillende) fruitbomen groeien met hoge, lange stammen. Deze bomen hebben zich als normale boom kunnen ontwikkelen (takvrije stam en breed ontwikkelde kroon). Zijn vaak te vinden op landgoederen en bij boerderijen. Omdat het plukken van het fruit lastig is, zijn deze boomgaarden tegenwoordig vrijwel overal vervangen door laagstambomen. |
| Hoogveen | Veen dat groeit onder invloed van voedselarm regenwater, boven N.A.P. gelegen. De belangrijkste hoogveenvormer is veenmos (sphagnum) dat voor de aanvoer van voedselstoffen voldoende heeft aan regenwater. Hierdoor is het in staat onafhankelijk van het grondwater omhoog te groeien terwijl het aan de onderzijde afsterft. Zie ook moor. |
| Hoogveenrestant | .Restant van veen dat zich boven de grondwaterspiegel heeft gevormd. |
| Hoogwatersloot | Sloot in een poldergebied met een waterpeil op boezempeil, dat hoger ligt dan het polderpeil. Vaak vormt deze sloot een onderdeel van de boezem. Ook oude erven zijn meestal omgeven door een hoogwatersloot met bloemrijke kanten. |
| Hooiberg | Bijgebouw op een boerderij, bestaande uit een constructie van palen (roeden) en een beweegbaar dak, en bedoeld voor de opslag van oogstproducten, voornamelijk hooi. Er zijn meerdere soorten:
- Kapberg of vijzelberg: het standaardtype, met één of meerdere roeden, mede afhankelijk van geografische ligging;
- Steltenberg: hooiberg met op enige hoogte boven de grond een tasvloer (balklaag met planken), waarbovenop het hooi opgeslagen ('getast') wordt. Afhankelijk van de hoogte waarop de tasvloer ligt, kan de ruimte eronder worden benut als bergruimte.
- Schuurberg: een steltenberg met schuurvormige uitbouwen.
- Pachtersbergje: kleine verplaatsbare hooiberg uit Oost-Nederland;
- Koekoekberg: hooiberg met dakkapel (koekoek of grijperkast). Onder het hooibergdak loopt een balk die uitkomt in de koekkoek en waaraan een grijper is vastgemaakt. Via een kabel-katrol systeem een paard het dak omhoogtrekken;
- Kaakberg: betimmerde hooiberg als onderdeel van een hooihuisboerderij in Waterland. Indien niet de zijkanten niet betimmerd maar voorzien zijn van dakpannen, spreekt men van pannenhooihuis, pannenkaakberg of pannenberg.
Zie ook diverse opslagmethodes op het land: hooimijt, hooiopper en hooiruiter. |
| Hooihuis, hooihuisboerderij | Uniek boerderijtype dat alleen voorkomt in het Noord-Hollandse Waterland. Bestaande uit een woonhuisdeel met daaraan een staldeel en daaraan een kaakberg (een betimmerde hooiberg met kap). Het kaakbergdeel is het hoogste deel van de boerderij. |
| Hooimijt, hooischelf | Opslageenheid waarbij het hooi (of rogge, zie roggemijt) wordt opgetast rondom een paal en afgedekt met een beschermende strolaag zonder kap. In Twente ook viemheupe of viemhoop genoemd. |
| Hooiopper | Kleine hooiberg van samengeschoven wiersen op het gemaaide land, waar het gemaaide gras. Bij de opperhooiwinning wordt het gewas geheel op het veld gedroogd, men moet dus voldoende drogend weer hebben. Zie ook hooiruiter. |
| Hooiruiter | Driehoekig rek van hout op het gemaaide land waartegen (in vroeger tijden) het gemaaide gras tegen werd gedroogd. Zie ook hooiopper. |
| Hoorn, horn | Punt, hoek, in West-Friesland een hoek in een dijk |
| Hop | Inham, bocht (b.v. Hoornse Hop) |
| Horizontale berging | Uitbreiding van de oppervlakte aan water. De grootste berging wordt verkregen door het scheppen van meer ruimte voor oppervlaktewater te combineren met meer ruimte voor natuurlijke peilfluctuaties. Zie ook verticale berging, piekberging en seizoensberging. |
| Horsa en Hengest [afbeelding] | De gestileerde paardenkoppen op Twentse en Achterhoekse boerderijen worden ook wel 'Horsa en Hengest' genoemd. Paarden waren voor het boerenleven een bijzonder rijk bezit en zijn dan ook een geliefd symbool voor boeren in heel Midden-Europa. Hun aanwezigheid op de nok had een gunstige invloed: Zo weerden ze bliksemonslagen, de pest, brand en nachtmerries. Tot in de 18e eeuw markeerden boeren hun erf met een paardenschedel op een stok. Zie verder geveltekens. |
| Horst | Schol die langs breuken in de aardkorst naar boven is geschoven en nu als gebergterug in het landschap te vinden is, nu vaak zichtbaar als zandheuvel. Oude lagen komen hier door verwering en erosie aan de oppervlakte. Een voorbeeld is de Peelhorst. Het tegenovergestelde van een horst is een slenk. |
| Houkade | Zie achterkade. |
| Hout | Bos op droge grond |
| Houtakker | Eilandje dat is begroeid met inheems hout dat door hakhoutbeheer een dichte haag vormt. In het verleden vaak aangelegd als bescherming voor boomgaarden. |
| Houtkade | Met hakhout beplande kade. |
| Houtmuur | Afscheiding van met houtsnippers en aarde bedekte houtstammen. Dit is een betere methode dan het versnipperen en terugblazen van het gekapje hout, waardoor de bodem verstikt. Op de houtmuur groeien na verloop van tijd veel mossen, paddenstoelen en varens. |
| Houtsingel | Houtwal zonder wallichaam, vaak een elzensingel. Houtwallen en houtsingels komen met name voor op de hoger gelegen zandgronden en hadden geriefhout of veekering als functie. Houtsingels werden ook aangelegd om de zeekleipolders achter de duinen te beschermen tegen stuifzand. |
| Houtskoolmeiler | Inrichting om hout tot houtskool te verwerken, bestaande uit een met grond en plaggen afgedekte hoop hout. Na aansteken ontstaat er door onvolledige verbranding houtskool. |
| Houtwal | Een houtwal bestaat uit een wallichaam met daarop bomen en struiken. Houtwallen worden gemaakt door een greppel te graven op de plaatsen waar een afscheiding gewenst is. De vrijkomende grond vormt een wallichaam direct naast de greppel. Na het graafwerk wordt de wal beplant met bomen en struiken die in de omgeving voorkomen, voornamelijk eiken, maar ook berken en beuken en struiken als de sleedoorn, meidoorn, hazelaar, vuilboom en lijsterbes. De bomen dienden als bouwhout, als weidepalen, brandhout of voor de leerlooi industrie. Houtwallen en houtsingels komen met name voor op de hoger gelegen zandgronden. Het komt ook voor dat op korte afstand van elkaar twee evenwijdige greppels worden gegraven, met een wal er tussenin. Een dubbele houtwal duidt op een voormalige grens van twee boermarken (Oost-Nederland). |
| -hoven | Boerderijen, hofstede |
| Huiskamp | Stuk land direct rond de boerderij, vaak onregelmatig van vorm, in Noord- en oost Nederland ook wel woerd, wurt of worth genoemd |
| Huisplaats | Met veenplaggen en klei opgeworpen huisterp in het veengebied van het Waterland; de locaties van sommige zijn nog te zien als uitstulpingen langs de slootkanten |
| Huisterp | Terp waar huis of boerderij opstaat, meerdere huisterpen groeiden vaak aan tot dorpsterp |
| Huizen | Nederzetting. |
| Huftgriend | Zie koebos. |
| Hunebed | Collectieve grafkelder behorend bij de trechterbeker-cultuur (4000-3100 v. Chr.). Een hunebed is een portaalgraf: de toegang tot het graf wordt gevormd door een portaal van stenen dat zich vaak aan de zuidkant bevindt. Oorspronkelijk waren de hunebedden met een aarden heuvel bedekt. Er zijn er 53 in Drenthe (voornamelijk op de Hondsrug) en 2 in Groningen. Een langgraf, zoals dat in de omgeving van Emmen voorkomt, is een soort hunebed. |
| HUN-lijn | Lijn, globaal begrensd door Haarlem, Utrecht en Nijmegen ten zuiden waarvan in Nederland geen glaciale afzettingen worden aangetroffen |
| [begin pagina] | |
| Iemenschuur, -schoer | Bijenschuur bij een Twentse boerderij. Zie ook bijenstal. |
| Ies | Valge |
| IJkdijk | Dijk waar intelligentie aan is toegevoegd, waarmee de dijk met sensoren de eigen stabiliteit doorgeven aan de dijkbeheerder. In de dijk zitten peilmeters (om het waterniveau te meten), luisterbuizen (die grondtrillingen registreren), drainagebuizen (om uitdroging te voorkomen), meetmatten (om de vochtigheid te registreren), waterspanningmeters (om de druk op de dijk te registreren) en verwarmde glasvezels (om temperatuurverschillen te meten). Er is een testgebied langs de Groningse Tijdenskanaal. |
| IJskelder | Diepe kelder waar ijs in bewaard werd, op landgoederen vaak apart van het huis half onder de grond gelegen in een kunstmatige heuvel, soms met een katrol om spullen naar beneden en naar boven te takelen. 's Winters werd het ijs in de kelder opgeslagen, waarna het tot september koud genoeg was om er voedsel op te slaan. Nu huizen er vaak vleermuizen in oude ijskelders. |
| IJstijd | Periode waarin het klimaat op aarde aanzienlijk kouder was dan tegenwoordig en waarin grote delen van de continenten, in ieder geval op het noordelijk halfrond, met landijs en gletsjers waren bedekt. Wordt ook wel glaciaal genoemd; een warmere periode tussen twee ijstijden een interglaciaal. De laatste vier ijstijden zijn:
- Günz- of Cromer-ijstijd: 600.000 - 540.000 jaar geleden;
- Günz-Mindel-interglaciaal: 540.000 - 480.000 jaar geleden;
- Mindel- of Elster-ijstijd: 480.000 - 370.000 jaar geleden;
- Mindel-Riss-interglaciaal: 370.000 - 240.000 jaar geleden;
- Riss- of Saale-ijstijd (Saalien): 240.000 - 150.000 jaar geleden;
- In het Amersfoorter stadium kwam het ijs tot de lijn Haarlem - Utrecht - Nijmegen (HUN-lijn). Langs deze lijn heeft het ijs diverse stuwwallen gevormd (op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en bij Nijmegen).
- In het Drenthe stadium kwam het ijs tot de lijn Texel - Coevorden. Langs deze lijn zijn grondmorenen (gestuwde keileem en zwerfkeien) terug te vinden.
- Riss-Würm-interglaciaal: 150.000 - 70.000 jaar geleden;
- Würm- of Weichsel-ijstijd (Weichselien): 70.000 - 10.000 jaar geleden;
- Het ijs kwam tot Denemarken; Nederland was een poolwoestijn met permafrost. De wind had vrij spel en er werd op grote schaal dekzand afgezet. Ook erosiedalen, puinwaaiers, donken en pingo’s ontstonden in deze periode.
- Holoceen (interglaciaal) 10.000 jaar geleden - nu.
|
| IJzerkuil | Overblijfsel van in de Middeleeuwen gegraven kuil waar ijzererts uit gewonnen is. Nabij de kuil zijn vaak ook nog slakkenhopen te vinden. |
| Indijking | Ingedijkt land. |
| Infiltratie | Neerwaartse verticale grondwaterstroom, bijvoorbeeld regenwater dat in de bodem dringt. Komt overeen met inzijging. |
| Influent | Afvalwater dat voor behandeling op een zuiveringsinrichting wordt aangevoerd. Na zuivering wordt het water effluent genoemd. |
| -ing, -ink | Achtervoegsel uit Twente en de Achterhoek dat duidt op een boerderij of erf. |
| Ingelanden | Eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker e.d. van grond, water en/of gebouwen binnen een waterschap. Worden ook wel de 'gemene ingelanden' genoemd. Ingelanden zijn verplicht jaarlijks waterschapsbelasting te betalen en vormen de het hoogste gezag in kleine waterschappen. De ingelanden van grote waterschappen kiezen een algemeen bestuur uit hun midden (hoofdingelanden). Vergelijk omgelanden. |
| Inklinking | Vorm van maaivelddaling, zie klink. |
| Inlaag | Vaak drassig gebied tussen een dijk en een daarachter gelegen tweede dijk, de inlaagdijk of slaper(dijk). De laatste werd veelal aangelegd als men in de dijk een zwakke plek vermoedde. Bij een eventuele dijkdoorbraak stroomde dan alleen de inlaag onder water. Inlagen komen veel voor op de Zeeuwse- en Zuidhollandse eilanden. Uit de inlaag werd de specie gebruikt om de tweede dijk te bouwen, waardoor de inlaag steeds drassiger werd. Omdat een inlaag belangrijk is voor de veiligheid van het achterliggende land, zijn ze altijd in tact gebleven en liggen ze er nog net zo bij als honderd jaar geleden. Door het brakke water groeien er allerlei zoutminnende planten. |
| Inlaagdijk | Dijk die achter een bestaande dijk gelegd wordt om bij het optreden van een dijkval inundatie van de achterliggende polder te voorkomen. Zeeuwse naam voor een slaperdijk. |
| Inlaatduiker | Duiker tussen boezem en polder die wordt gebruikt om de polder in droge perioden van water te voorzien. |
| Inlaatsluis | Sluis om water een gebied binnen te laten stromen, voor irrigatie of voor het laten onderlopen van gebieden om in tijden van oorlog. Door het openzetten van de inlaatsluis bij IJmuiden kan de Hollandse Waterlinie onder water gezet worden. Een inlaatsluis wordt daarom ook wel inundatiesluis genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Inschaarperiode | De tijd dat het vee buiten loopt (is ingeschaard). |
| Integraal Waterbeheer | Waterbeheer waarbij naast de afvoer en de kwaliteit van water ook gelet wordt op de naaste omgeving en de belangen voor stad en platteland. Dit beleid is vastgelegd in integrale waterbeheersplannen. |
| Interglaciaal | Warme periode tussen twee glacialen (koudere periodes) |
| Inundatie | Doorgaans defensieve onderwaterzetting van een terreingedeelte voor militaire doeleinden, met de bedoeling het terrein zowel onbegaanbaar als onbevaarbaar te maken. |
| Inundatiegebieden | Gebieden die gecontroleerd onder water gezet kunnen worden om elders overstromingen of dijkdoorbraken als gevolg van hoogwater te voorkomen. |
| Inundatiekanaal | Kanaal dat water aanvoert voor te inunderen gebieden. |
| Inundatiesluis | Sluis om water een gebied binnen te laten stromen, wordt ook inlaatsluis genoemd. Zie verder bij sluis |
| Inzijging | Een groot deel van het neerslagoverschot stroomt af via de ondergrond en komt elders weer naar boven. Waar het grondwater naar beneden stroomt, spreekt men van inzijging, waar het naar weer omhoog komt naar de oppervlakte van kwel. |
| [begin pagina] | |
| Jaagpad, trekpad | Pad naast een trekvaart, in de 17e eeuw aangelegd in de lage delen van Nederland om schepen vooruit te trekken. Dit voorttrekken werd jagen genoemd en gebeurde met de hand of met paarden. Een jaag- of trekpad werd vroeger ook een tragel genoemd; de Duitse naam is Leinpfad of Treidelpfad; de Oostenrijkse naam is Treppelweg. |
| Jachtpaal | Paal om de grens van een jachtgebied aan te geven. In het Hekenbroek in Gelderland staan jachtpalen van Bentheimer zandsteen. |
| Jachtweg | Oude verbindingsweg tussen kasteel en buitenplaats, bijvoorbeeld de Italiaanseweg in Doorwerth. |
| Ja-knikker | Oliepompinstallatie, nog steeds te vinden in zuidoost Drenthe, hoewel de oliewinning daar wordt afgebouwd. |
| Jannink, Cirkels van | Evenals andere prominente Twentse textielfamilies, hadden de Janninks begin 20e eeuw een open oog voor nieuwe landbouwontwikkelingen. De kunstmest was nog nieuw en de mechanisatie nauwelijks op gang gekomen. Investeerders en overheden woekerden met de vraag hoe Nederlands woeste gronden het beste in cultuur te brengen. Als noviteit verschenen op de uitgestrekte heide bij Mander in 1928 twee reusachtige cirkels met een doorsnede van respectievelijk 340 en 380 meter. Landbouwkundigen hadden uitgedokterd dat ronde akkers een stuk gemakkelijker te bewerken zijn dan vierkante. Niet meer draaien en keren in de hoeken maar voortaan soepel in de rondte ploegen, zaaien en oogsten. Tot kort voor de jongste eeuwwisseling Bert Jannink het gebied overdroeg aan Landschap Overijssel, werden op de cirkels van Mander rogge, haver, aardappelen en uiteindelijk slechts maïs geteeld. De cirkels zijn nu in het kader van een kunst en natuurontwikkelingsproject omgevormd tot landschapskunst. Eén bevat een een spiraalvormig labyrint van één kilometer lang. De andere is voorzien van een met jeneverbessen begroeide centrale heuvel. |
| Jonge zeeboezemgronden | Klei afgezet in de vroegere zeearmen van Noord-Nederland |
| Jonge zeeklei | Zeeklei, afgezet ongeveer 1300 na Chr. in West Nederland, ook wel afzetting van Duinkerken genoemd |
| [begin pagina] | |
| Kaag, koog | Buitendijks land (b.v. Koog aan de Zaan) |
| Kaakberg | Hoge betimmerde hooiberg met vierkante plattegrond en een vast piramidedak als onderdeel van een hooihuisboerderij in het Noord-Hollandse Waterland. De buitenzijde is meestal zwart. Indien niet de zijkanten niet betimmerd maar voorzien zijn van dakpannen, spreekt men van pannenhooihuis, pannenkaakberg of pannenberg. |
| Kaap | Uitkijktoren of belvédère. |
| Kade | Lagere waterkering in het veenweidegebied met een lichtere constructie dan een dijk. Een kade moet voorkomen dat laaggelegen polders door binnenwateren worden overstroomd. Ze worden soms ook gebruikt voor de schouw (inspectie van sloten). IIn veel gevallen zijn ze beplant met hakhout (houtkades). Een landscheidingskade vormt een scheiding tussen twee waterschappen en is niet beplant. |
| Kadijk | Grens tussen wel- en niet ontgonnen land |
| Kalkoven | Oven met toelopende toren waarin kalk wordt/werd gebrand. Komen nog voor in Limburg. |
| Kalkweide | Gebied waar vroeger een kalkfabriek gevestigd was. Door het voorkomen van veel kalk ik de bodem begroeid met kalkflora. |
| Kame, kame-terras | Scandinavische naam voor smeltwaterterras [spreek uit: keem]. |
| Kamp (1) | Veld. |
| Kamp (2) | Kleine individuele es, ook wel eenmanses genoemd. In de Achterhoek eindigen veel familie- en boerderijnamen op 'kamp'. |
| Kampontginning | Nieuwe huiskampen die vanaf het eind van de Middeleeuwen aangelegd werden op iets minder vruchtbare grond aan de rand van het markegebied in het zandlandschap, sommige zijn later uitgebreid met hoevestroken |
| Kanaal | Gegraven waterweg ten behoeve van transport en personenvervoer. De Romeinen hebben de eerste twee kanalen gegraven, elk met een militair-strategische betekenis: de Corbulogracht (verbinding Oude Rijn - huidige Maasmond waarvan de Vliet tussen Leiden en Rijswijk nog een overblijfsel is) en de Drususgracht (verbinding Vecht - Oude Rijn bij Utrecht). Vanaf de 10e eeuw werden kanalen gegraven met een transportfunctie (b.v. het Damsterdiep in Groningen). De meeste kanalen dateren echter uit de 19e eeuw. Kanalen worden eveneens gegraven om water aan- of af te voeren. Kanalen ten behoeve van een versnelde waterafvoer van oppervlaktewater noemt men afleidingskanalen. Kanalen voor de aanvoer van water noemt men voedingskanalen. |
| Kanaliseren | Het nemen van maatregelen gericht op het reguleren van het waterpeil in een rivier. Op regelmatige afstanden worden in het zomerbed van de rivier beweegbare stuwen en sluizen gebouwd. Met behulp van de stuwen kan het waterpeil in de rivier achter de stuw geregeld worden. Wanneer het gewenste waterpeil bereikt is, worden kleppen of deuren in de stuw geopend om het overtollige water naar het lager gelegen deel van de rivier te laten afvloeien. De bouw van sluizen is noodzakelijk voor de scheepvaart. |
| Kanontoren | Ronde toren voor de kanonnen bij een kasteel, bijvoorbeeld de toren op het terrein van het Groningse Ewsum bij Middelstum. |
| Karolingische tijd | Tijdperk in de vroege Middeleeuwen, van 750 - 900, tussen Merovingische tijd (500 - 750) en Ottoonse tijd (900 - 1000) in; [zie tijdbalk] |
| Karrensporen(complex) | Waar middeleeuwse wegen over woeste gronden voerden konden ze uitdijen tot vaak zeer brede sporenbundels. De wagenwielen sneden een spoor uit en als dit niet meer goed begaanbaar was, werd een nieuwe route in gebruik genomen. Op sommige plaatsen, bijvoorbeeld in Drenthe, is dit soms honderd meter brede patroon van bundels sporen in het landschap nog te zien. Het is niet uitgesloten dat de routes tot aan de prehistorie teruggaan. Vaak liggen namelijk groepen grafheuvels langs deze routes. Zie ook olifantspad. |
| Karrevelden | Drassige gebieden tussen hoofddijk en in- laagdijk |
| Karspel, kerspel | Kerkdorp, parochie |
| Karstverschijnselen | Alle geomorfologische verschijnselen die het gevolg zijn van de oplossing van kalksteen in water. In Nederland is het 'stelsel van Jansen Eggels' in het Noordelijk Gangenstelsel van de Sint Pietersberg bij Maastricht het belangrijkste karstverschijnsel. Zie ook doline. |
| Kasteel | Versterkte en verdedigbare woning waaraan in het algemeen bestuurlijke voorrechten waren verbonden, afgeleid van het Latijnse castellum dat toevluchtsoord betekent. Na de uitvinding van het buskruit verminderde de militaire betekenis van kastelen en werden vele omgebouwd tot buitenplaats. Een kasteel wordt ook wel burcht of slot genoemd, en in Groningen borg, in Friesland state of stins, in Oost-Nederland havezate en in Utrecht ridderhofstede. Typen kastelen zijn:
- Ringwalburcht: Ronde omwalde en omgrachte vluchtheuvel, waarvan de wal was voorzien van doornhagen en rijen van gepunte palen. Er zijn in Nederland circa tien ringwalburchten bekend, die zijn gebouwd in de periode 800 - 1100. Plaatsnamen, waarin het woord burg of borg voorkomt, zoals in Middelburg, Domburg, Souburg, Voorburg, Rijnsburg en Den Burg (Texel) zijn veelal uit een ringwalburcht ontstaan. Voorbeelden zijn de Hunneschans (Uddel), de Heimenberg (Grebbeberg bij Rhenen) en de Duno (Doorwerth). Wordt ook Ringburcht of ringburgwal genoemd.
- Motte kasteel: Na 1100 leidde een trend naar verkleining tot het einde van de ringburcht. De opvolger werd het mottekasteel: een houten en later een stenen versterking op een opgeworpen aarden heuvel.
- Donjon: Zware versterkte toren die losstaand voorkomt, maar ook als onderdeel van een kasteel of motte. Werd in dat geval gebruikt als laatste vluchtplaats.
- Palts: Koninklijke verblijfplaats uit het Frankische Rijk en Heilige Roomse Rijk die zowel kasteel als paleis waren. Paltsen bevonden zich door het hele rijk zodat de koning en later de Duitse keizer rondreizend van palst tot palts zijn rijk kon besturen. In Nederland hebben paltsen gestaan in Nijmegen, Utrecht en Zutphen.
- Waterburcht: Kasteelcomplex met hoektorens dat is omgeven door water. Aanvankelijk rond, maar vanaf de 13e eeuw vooral in rechthoekige vorm gebouwd. Voorbeelden van zijn het Muiderslot en Slot Loevestein.
|
| Kasteelberg | Kunstmatige verhoging waar ooit een kasteel op stond. De meest gebruikelijke term is motte, maar in Zeeland wordt een kasteelberg vliedberg genoemd, in Friesland wordt hege wier of stinswier gebruikt en in Limburg bolberg. Een abschnittsmotte is een bijzonder variant die alleen in Limburg voorkomt. |
| Kat | Hoogste deel van een bastion, geschikt om geschut op te stellen. |
| Kavelsloot | Zie poldersloot. |
| Kazemat | In eerste instantie kelders voor munitie en kanonnen onder een bastion van een vesting. Later een overdekte bomvrije ruimte die dient als gevechtspositie. Kazematten zijn voorzien van een of meer schietgaten. Ze maken deel uit van een groter werk (rondeel, bastion, fort) of vormen een zelfstandig te verdedigen werk in een linie. |
| Keersluis | Enkele sluis of stuw die een hoger of lage waterstand bij dokken of havens tegenhoudt. Wordt alleen in noodsituaties afgesloten. Zie verder bij sluis. |
| Keileem | Het landijs tijdens de Saale ijstijd stuwde niet alleen grond op tot stuwwallen, het vermaalde ook stenen onder zijn gewicht tot een dichte ondoorlatende laag van keien, leem, klei en zand. Het keileem komt in Twente en de Achterhoek aan de oppervlakte, wat gevolgen heeft voor de landbouw. Keileem houdt water tegen waardoor de grond daarboven drassig wordt. |
| Keileembult | Opgestuwde keileemafzettingen in een strook tussen Texel, Wieringen, Gaasterland (zie klif) en Urk. De Hoge Berg op Texel is het beste voorbeeld. Ook wel drumlins genoemd. |
| Kerkdorp | Zie kransakkerdorp. |
| Kerk(en)pad | Smalle veldweg (of pad) door de landerijen die losstaande boerderijen of buurtschappen met de kerk verbinden. Een stelsel van kerkenpaden is hersteld in het Achterhoekse Zieuwent. |
| Kerkringdorp [artikel] | Dorpstype van de Zuid-Hollandse- en Zeeuwse eilanden, oudste type (12e en 13e eeuw); de kerk staat er in het midden, op een ovaal of cirkelvormig omgracht kerkhof, daaromheen stond de bebouwing; b.v. Ridderkerk en Ouddorp; andere dorpstypes in dit gebied zijn de voorstraatdorpen en ringstraatdorpen |
| Kernflur | Zeer lang en smal akkerbed (zandgronden), zie ook langrepelakker. |
| Kernwerk | Type bunker, zie aldaar. |
| Kerspel, karspel | Oorspronkelijk benaming voor kerkgemeente of parochie. Sinds de 16e eeuw tevens gebruikt ter aanduiding van wat men later de 'burgerlijke gemeente' zou gaan noemen en dikwijls gebruikt naast de meer typische streekeigen uitdrukkingen als ambacht, schultambt, buurschap en marke. Het begrip kerspel kan slaan op het territoir of op de inwoners of leden van de 'gemeente', hetzij als collectiviteit, hetzij als rechtspersoon. |
| Kettlehole | Andere benaming voor een doodijsgat. |
| Keur | Verordening van een waterschap waarin beheer, onderhoud en gebruik van waterschapswerken is vastgesteld. |
| Keuterboer | Boer met een zodanig klein bedrijf dat hij zijn inkomsten moest aanvullen met een dienstbetrekking bij een fabriek of herenboer. Vaak gemengd bedrijf en voorkomend in Friesland, Groningen, de veenkoloniën en Noord-Brabant. Het Brabantse Sint Willibrord is ontstaan als keuterdorp. |
| Keuterij | Keuterboerderij met vaak alleen een stenen voorgevel terwijl de rest bestond uit houten planken. In het algemeen woonden het hele gezin en het vee onder hetzelfde dak. Afkomstig van het Duitse 'Köter'. |
| Kiekenbelt | Uitkijkheuvel. In de omgeving van Deventer is 200 jaar geleden een aantal uitkijk en bewakingsheuvels aangelegd die deze naam dragen. |
| Kienhout | Overblijfselen van bomen in een hoogveengebied (o.a. in de Peel), overwoekerd door veenmos (plantje dat van onderen afsterft en van boven doorgroeit op de eigen afgestorven resten), ook wel veenstobben genoemd |
| Kil | Zie Kreek |
| Klei | Verweringsmateriaal, minerale deeltjes door chemische verwering ontstaan, met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm, heeft als eigenschappen o.a. een groot opnamevermogen van water en de adsorptie van voedingsstoffen voor planten. Al naar gelang de korrelgrootte worden zand- en klei als volgt ingedeeld:
- grind: > 2000 mu;
- grof zand: 200 – 2000 mu;
- fijn zand: 50 – 200 mu;
- leem: 16 – 50 mu;
- slib: < 16 mu;
- lutum (klei): < 2 mu.
|
| Kleiput | Kleine, buitendijkse, ondiepe put bij een steenfabriek, ook wel tichelgat genoemd. Soms werd hier ook wel klei gewonnen om de dijken mee te verstevigen. Nu vaak ontwikkeld tot natuurgebieden. |
| Klepduiker | Mechanisme voor de afvoer van o.a. overtollig regenwater, bestond rond 1200 uit een holle boom door een dijk. Aan de zijde van de afvoer zat een houten klep die door de druk van het uitgaande water open ging en sloot als er water naar binnen wilde. |
| Klif | In de ijstijd uit keileem gevormde natuurlijke zeewering in het Friese Gaasterland, zie ook keileembult. Op Texel en in Limburg is een klif een bodemverheffing. |
| Klingen | Nieuwe nog zandstuivende duinen, veelal met helm beplant (Goeree Overflakkee). |
| Klink (1) | Vorm van maaivelddaling in voornamelijk veengebieden. Treedt op onder de laagste grondwaterstand en wordt veroorzaakt doordat de opwaartse druk wegvalt en de neerwaartse gelijk blijft. De ontwaterde laag klinkt de onderliggende veenlaag in. Ook wel inklinking genoemd. Zie ook krimp. |
| Klink (2) | Niet begroeide heuvel in het binnenduingebied. |
| Klokkenstoel | Stellage van balken waarin een of meer klokken zijn opgehangen. |
| Klompenpad | In de tijd dat men nog voornamelijk aangewezen was op vervoer te voet (bewoners liepen samen naar de kerk in het dorp, naar school of naar de winkel) creëerde men overal doorsteekjes of verkortingen om de weg te verkorten. Paden ontstonden langs waterlopen, akkers en weilanden naar de dorpen. Dorpen waren vaak voorzien van een heel netwerk aan paden, die naast een nuttige functie ook een sociale betekenis hadden. Vaak werd er een ommetje gemaakt uit ontspanning of om even bij te praten. |
| Klopjeswoning | Aanbouw aan boerderij waar ooit de hofmeijer woonde. |
| Kluft | Oprit van kruiswegen naar de dijk in een droogmakerij |
| Klucht | Schuin oplopende toegangsweg naar het hoogste punt van een dijk (Westfriesland). |
| Kluun (mot) | Drabbige massa die overbleef na het afvenen van hoogveengebieden. Werd uit de kluungaten geschept en over een zo vlak mogelijk oppervlakte uitgespreid (wat klunen wordt genoemd). Zie droge vervening. |
| Kluundel | Ronde of ovale vaak met veldkeien bestrate vloeren waar turf werd fijngestampt alvorens het te drogen werd gelegd (Twente). |
| Knopentuin | Vanaf de 16e eeuw in ontwikkeling gekomen tuin, met elkaar kruisende lijnen van verschillende planten en daarbinnen vakken van gekleurd materiaal (zand of steengruis). Zie ook drachtplantentuin en overtuin. |
| Knuppelpad, -weg | Veenpad of 'brug' van boomstammen in hoogveengebieden. Doordat veen hout goed conserveert, zijn er veel restanten gevonden. Bij Smilde is een nieuw knuppelpad aangelegd. Ook wel stokkenbrug of veenbrug genoemd. |
| Koebocht | Plaats in het weiland waar vroeger, vooral bij slecht weer, de koeien werden gemolken. De plek is omzoomd met bomen om beschutting te geven tegen wind en regen. |
| Koebos | Kleine bosjes (maximaal enkele honderden vierkante meters groot) van els, es, wilg en populier midden tussen de grasvlakten, vaak ter beschutting van het vee en de boer tijdens het melken. In Zuid-Holland spreekt men over geriefhoutbos. Zie ook geriefhout en strubben. |
| Koedam | Verbinding voor koeien tussen twee door een sloot gescheiden weilanden in het veenweidegebied. |
| Kogge | 'Ambachtsvierendeel', onderdeel van een ambacht, destijds belast met het toezicht op de dijkzorg en andere waterstaatszaken; genoemd naar de kogge (klein oorlogsscheepje) dat door de dorpen van een kogge moest worden uitgerust bij invallen van b.v. Noormannen |
| Kolk (1) | Tot 12 meter diepe put, overblijfsel van dijkdoorbraak, in het rivierengebied ook wel wiel of waai genoemd. |
| Kolk (2) | Onderdeel van een molengang, zie aldaar. |
| Kolk (3) | Plas als onderdeel van een eendenkooi. |
| Kolk (4) | Plas of poel, komt o.a. voor als drinkplaats voor het vee op een brink. |
| Kolk (5) | Ruimte tussen de twee sluisdeuren van een schutsluis, waar schepen invaren om omhoog of omlaag geschut te worden. |
| Kolkgat | Zie wiel. |
| Kolonie | Mijnwerkersdorp (Zuid-Limburg) |
| Kom | Bij overstroming tussen de stroomruggen gevormd gebied met zware kalkarme rivierklei, dat later door inklinking lager is komen te liggen dan de stroomrug. In het deel van de kom waar het water een grotere stroomsnelheid had zijn alleen fijnere sedimenten afgezet. In Nederland zijn gedurende het Holoceen veel komgronden gevormd. De rivieren stroomden in deze periode rustig, waardoor de transportcapaciteit gering was. In de bedding vond dus veel sedimentatie plaats. De waterberging van de rivieren werd daardoor kleiner, waardoor veel overstromingen ontstonden. Het grovere materiaal, vooral zavel, werd direct naast de bedding afgezet: de oeverwal. Deze sedimentatie werd versterkt door de oeverbegroeiing. Verder van de oeverwal af bezonk ook het fijnere materiaal: klei. Hier ontstonden de komgronden. Vóór bedijking verlegden rivieren steeds hun loop door het geleidelijk verzanden van de bedding. Daardoor ontstond een heel netwerk van stroomruggen (verzande beddingen, samen met de oeverwallen) en komgronden. Jarenlang kon men niets beginnen met deze drassige gronden, waar met een ploeg bijna niet doorheen te komen was. De komgronden bleven weinig productief, alleen de armste mensen vonden hier een plekje. Pas met de komst van zware ploegen (1940) werd het mogelijk dit land te bewerken en konden sloten gegraven worden om het water af te voeren. |
| Komgronden | Gronden in het rivierengebied bestaande uit zware kalkarme klei op veen (komkleigrond). Komgronden hebben veel last van klink. Jarenlang kon men niets beginnen met deze drassige gronden, waar met een ploeg bijna niet doorheen te komen was. De komgronden bleven weinig productief, alleen de armste mensen vonden hier een plekje. Pas met de komst van zware ploegen (1940) werd het mogelijk dit land te bewerken en konden sloten gegraven worden om het water af te voeren. Zie ook stroomruggen. |
| Kommiezenpad | Pad langs de landsgrens dat ooit in gebruik was door postende douaneambtenaren |
| Koningsweg (1) | In de Karolingische tijd (circa 700 - 900 na Christus) werden de belangrijkste doorgaande wegen in Nederland beschouwd als eigendom van de koning en heetten deze konings- of heerenwegen. De koning garandeerde de reizigers bescherming en inde in ruil daarvoor tol- en geleidegelden. |
| Koningsweg (2) | Stelsel eind 17e eeuw voor stadhouder Willem III aangelegde jachtwegen op de Veluwe. De Koningsweg tussen Dieren en Ede bestaat nog grotendeels. |
| Kooibos | Bos als onderdeel van een eendenkooi. In kooibossen groeien elzen, essen, zomereiken en grauwe wilgen, die zich in deze vochtige omgeving uitstekend thuisvoelen. |
| Kooiplas | Plas als onderdeel van een eendenkooi. |
| Koop | Zie cope |
| Kop-hals-romp boerderij | Fries boerderijtype. |
| Koppel | Gemeenschappelijk land. Komt terug in namen zoals de Putterkoppel bij Uddel. |
| Kop-romp boerderij | Fries boerderijtype. Sobere versie van de kop-hals-romp boerderij op de (armere) zandgronden in het oosten van Friesland. |
| Kopsloot | Poldersloot die dwars op de dijk of kade is gesitueerd. |
| Korengrond | Zanderige, kruimelige klei in Zeeuwse polders. |
| Kostverloren | Benaming voor bouw- of waterwerken (vestingwerk, vaart, etc.) die veel geld hebben gekost en weinig opleveren. |
| Kouter | Zie veld |
| Kragge [afbeelding] | Drijvend vegetatiedek van afgeplagde wortels en plantenresten in een verlandingsproces, drijvend eiland. Zie ook drijftil. Werden in de 19e eeuw gebruikt als fundament van de dijklichamen voor dijken in de Zuiderzee. De plaatsnaam Kraggenburg in de Noordoostpolder refereerd hier nog aan. |
| Kralentuin | Siertuin uit de 17e eeuw waarin patronen van kralen en spiegeltjes zijn opgenomen, in de 18e eeuw onderdeel van een formele tuin, een voorbeeld is te vinden in Broek in Waterland. |
| Kransakkerdorp | Soort esdorp dat voorkomt in Noord-Brabant, ontstaan waar de bewoning meer verspreid is rond kleine gehuchten rond een gemeenschappelijk gebied, ook wel kerkdorp (i.v.m. centrale ligging kerk) genoemd. |
| Kransesdorp | Dorp dat in een gesloten krans om de es heengebouwd is, bijvoorbeeld Wapse in Drenthe en Usselo in Twente. |
| Kreek | Insnijding in een kwelder die onder invloed staat van eb en vloed. De kreken vormen een meanderend, één tot anderhalve meter diep geulenstelsel, dat weinig van plaats verandert. Door een kreek loopt bij vloed nog water binnen, maar een kreek dient ook als afwateringskanaal als de kwelder is ingepolderd. Na de inundatie van Walcheren in 1944 waren sommige kreken te diep om te worden ingepolderd. Wordt ook wel kil genoemd. |
| Kreek, Binnenbedijkte | Toen de zee in de Middeleeuwen oprukte, werd in West- en Zuidwest-Nederland veel land weggeslagen. In de zeearmen die toen ontstonden, bezonk in een latere rustige periode slib en zand dat met het vloedwater naar binnen kwam. Tussen de slibbanken lagen kreken, die door het snel stromende eb- en vloedwater op diepte bleven. De slibbanken zijn later bedijkt, de kreken zijn nog goed te herkennen in het landschap. Meestal liggen ze in de laagste delen van de polder en zijn de oevers begroeid met riet en andere moerasplanten. De mooiste kreken liggen in Zeeuws Vlaanderen (o.a. tussen Oostburg en Biervliet). |
| Kreekrug | Voormalige dichtgeslibte getijdengeul in het rivierenlandschap die na inpoldering zichbaar werd omdat de omliggende zeeklei door de ontwatering inklonk. Bestaat uit de oude zanderige kreekbedding met de bijbehorende oeverwallen. Hierbij is sprake van omkering van het reliëf. |
| Krib | Stroomafremmer of strekdam in een rivier. |
| Krimp (1) | Vorm van maaivelddaling. Krimp treedt op in het ontwaterde deel van een veen- of kleibodem en wordt veroorzaakt doordat water uit het profiel verdwijnt door verdamping en ontwatering waardoor lege poriën ontstaan die inkrimpen. Zie ook klink. |
| Krimp (2) | Uitbouw uit de 19e eeuw bij Oldambtster boerderijen. |
| Kringenwetboerderij | Volgens de Kringenwet moesten gebouwen (boerderijen) in de nabijheid van een fort binnen één dag afbreekbaar zijn om oorlogshandelingen niet in de weg te staan. Bebouwing werd ingedeeld in een eerste kring (tot 370 meter van het fort) en een tweede kring (370 - 1.100 meter van het fort). Een voorbeeld is de boerderij Zeehoeve bij Diemen (Fort Diemerdam). |
| Kroft, croft, krocht | Akker in de duinen. Oorspronkelijk een natuurlijk dal in de duinen dat vroeger is gebruikt als akker. Om akkerbouw te bedrijven in de jonge duinen moesten lage delen worden opgezocht in verband met het grondwater. Een grote kroft/krocht was de Breesaap, waar nu de Hoogovens staan. De akkers werden vruchtbaar gemaakt met mest, maar ook met visafval en zeewier. De term 'kroften' wordt ook gebruikt voor het verlagen van het maaiveld om dichter bij het grondwater te komen. Zie ook aardappellandje. |
| Kromakker | Smalle, gebogen en door greppels begrensde strook land waarop in het verleden akkerbouw heeft plaatsgevonden, ontstond doordat men, om niet in een scherpe hoek te hoeven keren, al van te voren een draai begon te maken (op oeverwallen in het rivierengebied). Zie ook bolleakker. |
| Kronkelwaard | Beddingafzettingen in de binnenbocht van een riviermeander, heeft een bultig reliëf. |
| Kruidentuin | Tuin bij een boerderij of landgoed waar kruiden verbouwd worden, vaak met meerdere delen: geneeskruiden, keukenkruiden, verfkruiden en sierkruiden (bloemen). |
| Kruidlaag | Begroeiing direct op de bodem van het bos, afhankelijk van lichtinval. |
| Kruin | Hoogste punt van een dijk of een terp. Bij een terp ligt hier vaak een vijver die ook wel fehting, feit of dobbe wordt genoemd. |
| Krukhuis | L-vormige opkamer met daaronder de melkkamer bij Zuid-Hollandse boerderijen. |
| Kwakel | Hoge smalle voetbrug met aan weerszijden trappen. Vaak onderdeel van een voormalig trekvaartenstelsel. Zie ook til. |
| Kwartier | Onderdeel van een gouw |
| Kwel | Water dat door natuurlijke of kunstmatige hoogteverschillen in grondwaterspiegels door dijken of doorlatende ondergrond in polders terecht komt. Kan plaatselijk aan de oppervlakte treden. Het tegenovergestelde van kwel is inzijging. |
| Kwelder | Buitendijkse verlande gronden in het Waddengebied. Hoewel kwelders de invloed van menselijk handelen ondergaan, overheersen natuurlijke processen. Het zand en het slik wordt aan de oostkant van de eilanden afgezet en zodra een bepaalde hoogte wordt bereikt, vestigt zich meestal eerst zeekraal, waarna de opslibbing door de vegetatie toeneemt. Daarna komen andere planten als slijkgras en lamsoor. Er kunnen op de kwelders ook duintjes ontstaan. In de luwte daarvan ontstaan duinvalleien die alleen bij zeer hoge vloed (springvloed) onderstromen. Op Schiermonnikoog zijn de kwelders van oudsher beweid geweest door jongvee. Veel kwelders zijn in de loop van de tijd ingepolderd. In Zeeland wordt een kwelder schor genoemd, in Zuid-Holland gors en elders ook wel groes of groeze. De term kwelder wordt ook wel gebruikt voor een onbedijkte aangeslibde kleibank. |
| Kwelderwal | Tijdens stormvloeden verder opgehoogde kwelders |
| Kwelkade | Op enige afstand van de rivierdijk gelegen kade om het kwelwater te keren. |
| Kwelsloot | Sloot achter een dijk waarin het kwelwater opgevangen kan worden. Dit water biedt tegendruk, zodat een verdergaande kwelstroom niet mogelijk is. De aanleg van een kwelkade of kweldijk achter de bestaande zee- of rivierdijk, bevordert het ontstaan van een kwelsloot. |
| [begin pagina] | |
| Laaglandbeek | Regenbeek zonder bron, maar met een groot oorspronggebied. Stroomt in de lage delen van Nederland, vaak tussen dekzandruggen. Omdat deze beken langzaam stromen, komen veel meanders voor. De ijsvogel is de meest karakteristieke vogelsoort van laaglandbeken. Als er steile oevers zijn, graven ze een horizontale gang van ongeveer een meter. De beste voorbeelden van laaglandbeken zijn: de Chaamse beken ten zuiden van Breda, het Merkske bij Baarle-Nassau, de Rovertsche- en de Poppelsche Leij ten zuiden van Tilburg, de Slinge bij Winterswijk, de Drentsche Aa tussen Groningen en Assen, en de Regge bij Denekamp. |
| Laagstamboomgaard | Boomgaard met lage fruitbomen die makkelijk te plukken zijn. Geïntroduceerd na de oprichting van de EEG in 1957 uit concurrentiemotieven. Vroeger waren vooral hoogstambomen aangeplant. |
| Laagveen | Veen dat groeit onder invloed van het grondwater, beneden N.A.P. gelegen. In eerste instantie als veenkussen; later groeien er ook berken, elzen en wilgen. Een bijzondere vorm is trilveen. |
| Laagveenrestant | Restant van veen dat in open water is gevormd door het opeenhopen van dode water- of moerasplanten. |
| Laagveenontginningsdorp | Langgerekt wegdorp in een laagveenlandschap, waarbij op iedere strookvormige kavel een boerderij staat |
| Laak | Grens. |
| Laan | Weg met rijen bomen aan één of twee zijden, vanuit esthetische motieven, tegen weersinvloeden en / of voor de de houtproductie. Lanen komen vooral voor nabij landgoederen. Ook wel allee genoemd. |
| Laar (mv. laren) | Open plek in het bos, op natte grond |
| Lagune | Gedeeltelijk door een strandwal, schoorwal, strandhaak of nehrung afgesloten kustgebied waar geen rivier in uitmondt; indien er wel een rivier in uitmondt spreekt men van een haf (zie aldaar) of een etang |
| Land | Zandgronden in Friesland, bijvoorbeeld Smallingerland, Schoterland. |
| Landbouwkolonie | Door de Maatschappij van Weldadigheid (in 1818 opgericht door generaal Johannes van den Bosch) opgerichte nederzettingen op de woeste gronden van Drenthe en Overijssel. Doel was de bestrijding van armoede en verpaupering; armen, landlopers en 'asocialen' kregen hier een huisje (koloniehuisje) en wat grond toegewezen en moesten arbeid verrichten. Hardwerkende kolonisten konden uiteindelijke een vrije boer worden. Later werden ook criminelen naar de koloniën gestuurd. In 1859 werden de koloniën gereorganiseerd en werden de kleine bedrijfjes samengevoegd tot 6 grote bedrijven van 50 hectare. Landgoed Westerbeeksloot in Zuidwest Drente werd de eerste kolonie. De nederzettingen kregen namen als Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Ook de strafinrichting Veenhuizen is oorspronkelijk opgezet door de Maatschappij van Weldadigheid. |
| Landgoed | Uitgestrekt complex van bossen en/of landbouwgronden, meestal in combinatie met een buitenplaats.
- In de late Middeleeuwen bestond een landgoed uit voornamelijk functionele tuinen (boomgaard, moestijn, kruidentuin)
- In de 17e eeuw (Renaissance) deden Hollands-classicistische tuinen hun intrede: geometrisch, met een centrale as, naar binnen gericht (met bloemperken en buxusvormen).
- Vanaf eind 17e eeuw (Barok) gingen de geometrische vormen over in het omringende landschap (met waterkommen, tuinbeelden, fonteinen).
- Halverwege de 18e eeuw (Romantiek) deden glooiende en slingerende vormen hun intrede. Dit wordt de Landschapsstijl genoemd (met boomgroepen, gazons, opgeworpen heuvels, grote waterpartijen).
|
| Landmaten | Diverse oude landmaten komen nog voor in cultuurhistorische landschapsnamen:
- Roede = ca. 14 m2
- Morgen of mergen, letterlijk zoveel land als voor de middag kan worden geploegd = ca 0,8-1,1 hectare (verschillend per streek)
- Hond = ca. 100 roeden, 1400 m2
- Pondemaat, Friese vlaktemaat = 36,78 are, iets meer dan 1/3 hectare
- (Koe)gras, meervoud grazen, o.a. in Friesland en Groningen, zoveel land als een koe nodig heeft = 0,45 - 0,5 hectare
|
| Landschapsontwikkeling | Sinds 1900 zijn grofweg de volgende vier veranderingen in de inrichting van het landschap te onderkennen:
- Van ruilverkaveling naar landinrichting;
- Desagrarisatie van het landelijk gebied en deruralisatie van de landbouw;
- Van natuurbehoud naar natuurontwikkeling; en
- Van productie- naar consumptielandschap.
|
| Landscheiding(skade) | Kade of sloot op de gemeenschappelijke achtergrens van twee ontginningseenheden, dorpsgebieden of waterschappen. In de Lopikerwaard ook wel lansing genoemd. Zie ook achterdijk. |
| Landweer | Laat - Middeleeuwse (vaak 14e of 15e eeuws) begroeide aarden verdedigingswal van 2 meter hoog en 4 tot 10 meter breed, gecombineerd met droge grachten van 1 tot 1,5 meter diep aan weerszijden. De aarden wal is begroeid met bomen (meestal eiken) met daartussen doornenstruiken waarvan de takken zodanig werden gevlochten dat er een soms metershoge wal van takken en stammen ontstond die zelfs ruiters te paard kon tegenhouden. Doorgangen werden bewaakt en soms werd hier tol geheven. Bij invallen konden de droge grachten in sommige gevallen onder water gezet worden. Landweren werden opgeworpen ter verdediging van graafschappen en hertogdommen in delen van Nederland waar geen krachtig centraal gezag was (Gelderland, Overijssel en Limburg). Oude landweren worden nu vaak gebruikt als rijweg. Bij het kasteel Twickel en nabij Eibergen zijn landweren in de originele staat hersteld. Als een landweer hoofdzakelijk bestaan uit een greppel wordt hij wildgraaf genoemd. Andere namen zijn landgraaf en lankerd. |
| Langgraf | Type hunebed waarbij de twee grafkamers in een langgerekte heuvel zijn ondergebracht. Komt voor in de omgeving van Emmen. |
| Langrepelakker | Soort Kernflur, zeer lang en zeer smal akkerbed (zandgronden) |
| Langwurt | Handelsterp |
| Lee | Grafheuvel |
| Lee, lede | Gegraven waterloop, bijvoorbeeld Heiligerlee. |
| Leemkuil | Meertje in het bos waar ooit leem (voor bakstenen), grind of zand is gewonnen. Het Canneburgergat in het bos bij Vaassen is zo'n leemkuil. In het Gooi zijn enkele droge leemkuilen, nu begroeid met heide- en grasvegetatie te vinden op de Tafelbergheide en de Blaricummerheide. |
| Legakker | Overblijfsel van het baggeren van turf na 1530, toen de bovenste veenlagen al waren afgestoken. Smalle strook land tussen petgaten, trekgaten of weren waarop uitgestoken turf te drogen werd gelegd. Mooie voorbeelden van legakkers zijn te vinden in de Noordelijke- en Zuidelijke Kievitsbuurt van de Loosdrechtseplassen. Door de wind zijn veel legakkers weggeslagen en zijn open plassen onstaan. Worden ook wel zetwallen genoemd. In Overijssel ook wel ribben (Weerribben) of rillen genoemd en in Stellingwerven hagen. |
| Leilinden | Geleide lindebomen voor een boerderij, oorspronkelijk om licht en warmte weg te houden uit de woonkamer. Vanaf ongeveer 1910 werd er op huishoudscholen onderwezen dat licht juist moest kunnen binnentreden in het huis, onder invloed hiervan zijn veel leilinden gekapt. Rond boerderijen werden ook notenbomen geplant tegen de vliegen. |
| Leimuur | Op de zon en uit de wind gerichte muur waar fruit op een bepaalde manier tegenop wordt geleid. Zie slangenmuur. |
| Lengteduin | Grote symmetrische duin parallel aan de windrichting. |
| Leur | Soort turf |
| Lichtopstand | Stellage met lichten voor de scheepvaart. |
| Lieftochtshoes | Klein hallehuis van het type los hoes in Twente, gebouwd als oudedagsvoorziening voor de boer die op een gegeven moment de boerderij overdroeg aan één van zijn kinderen. |
| Lieje | Onverhard pad tussen akkers (blokken) ter breedte van een span paarden (Goeree Overflakkee) |
| Ligboxenstal | Uniforme moderne stal waarin het vee los rondloopt, vergelijk Hollandse stal en Friese stal |
| Lijkweg | Zie doodweg. |
| Liman | Door een strandwal afgesloten zeebocht aan een riviermonding. |
| Limes | Romeinse legerplaats (voornamelijk langs de Rijn, (b.v. gebied rond Zevenaar), een grenslinie van palissaden, spitsgrachten en versterkingen |
| Linde | Boom waaronder vroeger veel werd getrouwd en rechtgesproken. De geboorte van een koningskind werd vaak gevierd met het aanplanten van een linde. Voor boerderijen worden vaak leilinden geplant om het felle zonlicht uit de kamer te houden. In parken hebben linden vaak bijgehouden 'rokjes' van uitgelopen scheuten. Linden hebben veel last van luis, die een zoetige en kleverige stof uitscheidt: honingdauw. Mieren zijn hier dol op, ze melken de luizen zelfs. |
| Lineaire bebouwing | Zie lintbebouwing |
| Linie | Een verdedigingslijn, bestaande uit een aaneengesloten geheel van versterkte punten in het terrein. Deze kunnen elkaar ondersteunen en zijn meestal onderling verbonden door een wal of een gedekte gemeenschapsweg. In een linie zijn soms terreingedeelten opgenomen die onbegaanbaar zijn of geïnundeerd kunnen worden. |
| Liniedijk | Dijk die forten in een waterlinie met elkaar verbindt. |
| Lintbebouwing, Lintdorp | Langgerekte bebouwing, ontstaan langs één of beide zijden van een rivier, beek, dijk, kanaal of weg. Lintdorpen liggen in het noorden en westen van Nederland vaak op oude dijken of op een oude kreekrug (zandrug). Een lintdorp wordt ook wel lineaire bebouwing, wegdorp, gestrekt dorp, dijkdorp of streekdorp genoemd. |
| Loofgang | Zie berceau. |
| Loofhout | Bladverliezend bostype. Op de hoge, droge en onvruchtbare zandgronden komen voornamelijk de eik en de berk voor. Op de iets rijkere gronden behalve de eik ook de beuk en de es. De eik heeft een diepe penwortel, de beuk wortelt aan de oppervlakte, waardoor deze twee types naast elkaar kunnen staan. De beuk houdt van droge, kalkhoudende grond. Onder beuken groeit niets wegens de zeer geringe lichtinval. (Beuken staan ook dicht bij elkaar omdat hun schors erg dun is en geen directe zonnestralen kan verdragen.) Aan de randen van beekdalen komen beuken voor, langs voedselrijke beken essen. Ook de els groeit aan het water. Zie ook naaldhout. |
| Lo, loo | Bos of open plek in het bos op hoge, droge zandgrond (b.v. Hoenderlo) |
| Los hoes | Ongedeelde ruimte waar mens en dier samen in woonden; veelal in oude Oost-Nederlandse boerderijen. |
| Löss | Leemachtige eolische afzetting (door de wind) uit het Weichselien (post-glaciaal, eind Pleistoceen) met een korrelgrootte kleiner dan 0,05 mm, komt incidenteel in Oost-Nederland aan de oppervlakte (Veluwezoom en omgeving van Nijmegen, waar de bossen rijker zijn dan die op de zandgronden) en in grote delen van Zuid-Limburg. |
| Luchtwachttoren | Betonnen observatiepost uit de de jaren 1950 - 1960, bedoeld om vijandelijke vliegtuigen waar te nemen. Onderdeel van een landelijk netwerp van 276 observatieposten, waaronder posten op bestaande hoge gebouwen, maar ook 139 nieuwe torens. De (nieuwe) luchtwachttorens waren 2,5 tot 31 meter hoog en gebouwd van betonelementen. Er zijn er 18 overgebleven in Zeeuws-Vlaanderen, Brabant, Limburg, Gelderland, Flevoland en de noordelijke provincies. |
| Lunet | Klein verdedigingswerk met twee schuine, naar buiten gerichte zijden (facen) en twee naar achter gerichte zijden (flanken). De keel is open of op een eenvoudige wijze afgesloten door een borstwering of een muur met schietgaten. Lunetten kwamen voor als buitenwerken van een vesting (in de buitengracht aan de enveloppe) of als onderdeel van een linie. In Zuid-Nederland ook wel brilschans genoemd. |
| Lutte, lutje | Klein (b.v. Lutjebroek) |
| Lutum | Kleideeltje kleiner dan 0,002 milimeter (zie zand). Bij een lutumpercentage tussen 8 en 12 spreekt men van zeer lichte zavel, bij een lutumpercentage tussen 12 en 17,5 van matig lichte zavel en bij een lutumpercentage tussen 17,5 en 25 van zware zavel. |
| [begin pagina] | |
| Maaiveld | Bovenkant of oppervlakte van het terrein. |
| Maaivelddaling | Proces dat in gang wordt gezet door de cultivering van een laagveengebied, enerzijds door inklinking. Door water aan het veen te onttrekken, neemt het volume af en klinkt de bodem in. Anderzijds door oxidatie of krimp. Na ontwatering kan zuurstof tot de bovenste veenlaag doordringen, waardoor plantenresten verteren en uiteenvallen in koolstof en water. |
| Maalschap | Instantie die het gebruik van de aan de marken grenzende bossen werd regelde, vanaf de 13e eeuw |
| Maar (1) | Meer, plas. In de Duitse Eifel is een maar een kratermeer in een gedoofde vulkaan. |
| Maar (2) | Groningse naam voor een water, meestal een smalle, ondiepe, onregelmatige, soms ook niet-natuurlijke stroom. Maren komen het meest voor in de gebieden Hunsingo en Fivelingo. |
| Maat (1), mede | Weiland aan de rand van een es. Indien bij beek gelegen ook wel graskamp genoemd. |
| Maat (2) | Hooiland in het Eemland. |
| Made | Laag, nat hooiland |
| Madeland | Onbemeste, drassige hooilanden in de beekdalen (Noord-Nederlands esdorpenlandschap) |
| Makelaar | Houten versiering in de nok van een boerderij. Komt voor in Noord - Holland en Friesland. In Friesland is de makelaar vaak onderdeel van het uilebord. |
| Malebos | Oospronkelijk door de markegenootschappen beheerd bos dat met mate geëxploiteerd werd. Zie ook tra, een weg rondom een dergelijk bos. Na (gedeeltelijke) ontbossing ontstonden verzande bosgedeelten waar mensen brand- en timmerhout verzamelden. Omdat je voor timmerhout rechte bomen nodig hebt, bleven alleen de grilligste bomen staan. Overblijfselen zijn te zien in b.v. het Speulder- en Sprielderbos bij Putten. |
| Mandeveld | Naam voor woeste gronden in het Friese zandlandschap. Wordt ook wel meente genoemd. |
| Mansus | Zie hoeve |
| Mantelienge | Beschermende houtkant behorende bij akkerbouwland (Goeree Overflakkee) |
| Mare, maar | Zeegeul in het Waddengebied. |
| Mark | Grensland |
| Marke | Gemeenschap van eigenaren van landerijen met rechten op de aangrenzende onbebouwde gronden of die gronden zelf zoals het reglementeren van het afplaggen van de heide (Oost-Nederland). De boeren kregen zogenaamde waardelen, afhankelijk van hun grondbezit. Het gebruik van aangrenzende bossen werd geregeld door maalschappen. De Loenermark bleef van alle Veluwse marken het langst in stand, namelijk tot 1932. Toen werden de markengenoten uitgekocht en kreeg iedere inwoner van Loenen een bedrag van NLG 34,75 van de gemeente Apeldoorn, die van de Loenermark een aantrekkelijk natuurgebied maakte. Sinds 1993 is het gebied in beheer bij Het Geldersch Landschap. In Brabant worden marken gemeinten genoemd en in Drenthe buurschappen. Zie ook Boerenorganisaties. |
| Markegenootschap | Organisatie die gericht is op het beheer van bos en heide |
| Markenwet | Wet uit 1886 die ervoor zorgde dat ontginningen grootschaliger aangepakt zouden worden, o.a. door markedelingen |
| Markweide | Gemeenschappelijk stuk grond met een weidefunctie in het zandlandschap. Wordt ook wel schaarweide of meent genoemd. |
| Meanderbank | Ruf of bak bestaande uit rivierafzettingen die wordt gevormd aan de binnenzijde van een meander. |
| Mede | Hooiland (Noord-Nederland) |
| Meeden | Geleidelijk aflopende gronden met afnemende kwaliteit (b.v. Uithuizermeeden) |
| Meent | Gemeenschappelijk stuk grond met een weidefunctie in het zandlandschap. Wordt ook wel schaarweide of markweide genoemd. |
| Meente | Naam voor woeste gronden in het Friese zandlandschap. Wordt ook wel mandeveld genoemd. |
| Meer (1) | Oppervlakte min of meer stilstaand water dat zó diep is dat het zonlicht de bodem niet kan bereiken, dit in tegenstelling tot een (ondiepe) plas of ven. Een meer kent drie zones met karakteristieke flora en fauna: oeverzone (met planten die wortelen in de bodem), open water (pelagiaal, met drijvende planten) en het diepe water (profundaal). |
| Meer (2) | Grens(paal). |
| Meerstal | Waterplas in een hoogveengebied |
| Meervoudige percelering | Percelering waarbij ieder type bodemgebruik (bouwland, weiland, hooiland) een eigen vorm van percelering heeft. |
| Meestoof | Gebouw waar het gewas meekrap werd gedroogd en gemalen tot rode verfgrondstof. Meestoven waren in gebruik tot er eind 19e eeuw in Duitsland een chemische bereidingswijze voor rode verf werd uitgevonden. Meekrap werd vooral in Zeeland (Schouwen) verbouwd; een mooi voorbeeld van een voormalige meestoof is de Willem III in Noordgouwe bij Zierikzee. |
| Meet | Gedeelte van een akker tussen greppel en sloot, halve akker; in Groningen rechthoekig stuk land in een polder |
| Meetje | Stuk in het (Zeeuwse) duingebied ontgonnen bouwland. Meetjes werden vooral aan het eind van de 19de eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw aangelegd door arme boeren die geen eigen land hadden op de vruchtbare en dure zeeklei. De relatief arme grond in de duinen was zeer goedkoop om aan te kopen en grote gedeelte van de duinen (met name op Schouwen Duiveland) veranderde in een lappendeken van kleine akkertjes. Het succes van deze manier van akkers aanleggen werd al snel minder toen bleek dat het aanleggen van meetjes de weerbaarheid van de duinen tegen de zee verzwakten. De definitieve doodsteek voor de meetjes kwam in de jaren 50 met de opkomst van de intensivering van de akkerbouw in Nederland. |
| Meetland, mede | Weide- of hooiland. |
| Meetstoel | Voordat in de huidige Noordoostpolder de daadwerkelijke ontwatering van het drooggemaakte land plaats kon vinden zijn kanalen en vaarten gegraven. Hiervoor was een exacte plaatsbepaling op het open water noodzakelijk. Meetstoelen, bestaande uit hoge palen met een platform, vormden deze vaste meetpunten op het open water. Veel van deze meetstoelen zijn door materiaalschaarste na de oorlog gesloopt. In de buurt van Biddinghuizen in de Flevopolder staat nog een overgebleven meetstoel. |
| Meier | Vertegenwoordiger van een vroon |
| Mein- | Gemeenschappelijk (b.v. Meinweg in Limburg) |
| Melkkelder | Kelder waar de verse melk bewaard werd om af te koelen en op te romen. |
| Mergel | Bovenste korrelige laag van de kalk die afgezet is in het Limburgse heuvelland tijdens het Krijt toen dit deel van Nederland onder de zeespiegel lag. Bestaande uit een mengsel van klei en van resten van organisme met een kalkschaal dan wel een kalkskelet. In Zuid-Limburg veelvuldig afgegraven t.b.v. de cementindustrie. |
| Merovingische tijd | Tijdperk in de vroege Middeleeuwen, van 500 - 750, volgde op de Romeinse tijd (0 - 500), er na kwam de Karolingische tijd (750 - 900); [zie tijdbalk] |
| Mezenkouw | Uitgekraagde gaanderij op Middeleeuwse muren met openingen in de vloer waaruit de voet van de muur of poort kon worden bestreken. |
| Middenbeuk | Middelste ruimte van het stalgedeelte van een boerderij. |
| Middenduinen | Zie duinen |
| Miede | Hooiland, omgeven door een lage kade van zoden die dienst deed als veekering en primitieve zeewaterkering (Waddeneilanden) |
| Mient | Deels ontkalkte en afgevlakte duinterreinen die gemeenschappelijk werden gebruikt door de boeren als weidegrond. Tussen Bakkum en Egmond is het mooiste voorbeeld van een mientenlandschap te zien. |
| Mijnberg | Heuvel die ontstaan is uit afvalmateriaal dat als bijproduct van de mijnbouw is ontstaan, wordt ook wel steenberg genoemd. Steenkolen die boven gehaald worden uit een mijn, moeten door het 'wassen' gescheiden worden van de stenen (in het Duits 'Berge'). Deze stenen worden gestort waardoor een steenberg ontstaat. De belangrijkste mijnberg in Nederland is de Wilhelminaberg bij Landgraaf. In Duitsland 'Halden' en in België 'terrils' genoemd. Andere kunstmatige bergen zijn afvalberg. |
| Miltvuurbosje | Gevaarlijke variant van een pestbosje omdat miltvuursporen (anthrax) honderd jaar in de bodem kunnen blijven zitten. |
| Miskaai | Mesthoop. |
| Moated site | Omgracht huis, in het algemeen een laat Middeleeuws huis met een weerbaar uiterlijk. Uit voornamelijk statusoverwegingen groeven veel rijke boeren en lage edelen vanaf 1300 een gracht om hun woning. |
| Modern-rationele verkaveling | Verdeling van het land in grote, rechthoekige akkers en weilanden in moderne droogmakerijen. Zie ook andere typen verkaveling |
| Moer(grond) | Veengrond, moerassig land (Noord-Brabant, Zeeland) |
| Moernen | Het afgraven van zout veen om er zout uit te winnen, zie darinkdelven. |
| Moernering | De handel in zout veen of het daaruit gewonnen zout. Wordt ook wel selnering genoemd. Zie ook darinkdelven. |
| Moestuin | Tuin voor de verbouw van groenten op het erf van een boerderij. Meestal omzoomd door dahlia’s die luizen tegenhouden. |
| Molenbeek | Opgeleide gegraven beek die naar een molenvijver leidt in het geval dat de natuurlijke beek onvoldoende verval heeft. |
| Molengang | Rij van drie of vier poldermolens die in etappes een polder (vaak een droogmakerij) droogmalen; het water stroomt via poldersloten in de poldervaart en daarna via ieder molen in een andere kolk (middenkolk, bovenkolk) en uiteindelijk in de ringvaart; een molen met een vijzel (vanaf 1634) kan het water ongeveer 1,2 meter omhoog brengen (± 60 m3 per minuut) |
| Molenvijver | Waterreservoir dat stroomopwaarts van een molen ligt om de molen bij droogte van voldoende waterduk te voorzien. Het water werd via een gegraven molenbeek naar de molenvijver geleid. Op het eerste gezicht lijkt de molenvijver op (een onderdeel) van het boezemwater, maar dat is niet zo. Molenvijvers worden ook wel wijerd genoemd, en in Limburg kouk. |
| Mond | Dwarskanaal of dwarsdiep in het Veenkoloniale landschap (Groningen en Drente) |
| Moor | (Moerassig) hoogveengebied, Duitse naam die ook voorkomt in Noordoost-Nederland. |
| Morene | Door de schurende werking van een gletsjer verpulverd gesteente dat door de ijsmassa gedeeltelijk meegevoerd wordt. Het materiaal waar een morene uit is opgebouwd is keileem en dit is een mengsel van keien, zand en leem. Er zijn vier soorten morenes:
- Grondmorenes die een 'bed' vormen waarop de gletsjer zich voortbeweegt;
- Zijmorenes die zich aan de zijkanten van het gletsjerlichaam vormen;
- Eindmorenes die bestaan uit stapels verpulverd materiaal die de gletsjer voor zich uitschuift; en
- Tussenmorenes die ontstaan uit de zijmorenes van twee gletsjers op het punt waar ze tezamen komen en bestaat uit verpulverd gesteente dat met het ijs meegevoerd wordt.
De heuvels van de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en het Rijk van Nijmegen zijn oude eindmorenes uit de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Toen was Nederland ten noorden van de lijn Haarlem-Utrecht-Nijmegen (HUN-lijn) met landijs bedekt. |
| Morgen | Oude landmaat, oorspronkelijk de hoeveelheid land die in één morgen bewerkt kon worden, onderverdeeld in honderts (Gelderse Morgen = 3180 m2, Rijnlandse Morgen = 8516 m2). |
| Motte | In de late Middeleeuwen aangelegde berg met een diameter van 30 meter en een hoogte van maximaal 12 meter die diende als strategisch punt met soms een toren erop. Vanaf 1100 werden er eerst houen en later stenen kastelen (mottekastelen) op gebouwd, als opvolgers van de ringwalburcht. Wordt ook wel stinswier, hege wier (Friesland) of vliedberg genoemd. Zie ook kasteelberg, werf en kasteel. |
| Mozaïekverkaveling | Onregelmatige uit een blokverkaveling door vererving ontstane verkaveling; zie ook andere typen verkaveling |
| Mui | Dieper gedeelte langs een zandbank of een strekdam, dwars op de kust, waardoor het water hier sneller stroomt. |
| Muiden | Monding. |
| Muraltmuur | Muurtje boven op een dijk, dat diende als alternatieve en goedkope dijkverhoging. Een muraltmuur bestaat uit drie of vier horizontale betonnen platen, van ongeveer een meter hoog, tussen betonnen staanders. De muurtjes zijn genoemd naar de uitvinder, jonkheer ir. R.R.L. de Muralt. De Muralt werkte tussen 1903 en 1913 bij het waterschap Schouwen, waar hij in 1906, na een stormvloed, de muurtjes ontwikkelde als goedkoop alternatief voor dijkverbredingen. Tussen 1906 en 1935 werd ongeveer 120 kilometer muraltmuurtjes aangelegd, op ongeveer een derde van alle toenmalige Zeeuwse buitendijken. Tijdens de watersnood van 1953 bleken ze echter niet te voldoen. Na 1953 zijn de meeste dan ook weer afgebroken. |
| Mur à retranchement | Zie slangenmuur. |
| [begin pagina] | |
| Naaldhout | Altijdgroen bostype van naaldbomen dat oorspronkelijk niet voorkwam in Nederland. Werd voor het eerst gezaaid nabij Breda rond 1500 (dennen, later ook lariks en douglas). Naaldhout groeit vlugger dan loofhout en kan dus eerder worden gekapt, wat voordelig is voor de eigenaar. Zie ook loofhout. |
| Napoleonsweg | Verharde wegen aangelegd tijdens het bewind van Napoleon (1810 - 1813). Tegenwoordig zijn dit vaak provinciale wegen, zoals ten zuiden van Venlo. Zie ook Romeinse weg en Hessenweg. |
| Natte heide | Met dopheide begroeide heidegebied, vaak tweederangs weiland met veenvorming, in tegenstelling tot droge heide. Zie ook heide. |
| Natuurlijk bos | Bos met grote verscheidenheid, in lagen (etages) opgebouwd. Omdat men dood hout laat liggen komen hier meer dieren voor. Zie ook cultuurbos, oerbos en productiebos. |
| Naviduct | Een aquaduct is een vaarweg die via een betonnen bak over een weg heen loopt. Wanneer er sluisdeuren in die bak zijn aangebracht, heet het geheel een naviduct. |
| Nehrung | Zanderige, smalle landtong voor een haf, schoorwal |
| Nes (1) | Landtong of kaap. |
| Nes (2) | Moerassig land, in veel gevallen buitendijks. |
| Niendeur | Vroegere hoofdingang van Oost-Nederlandse boerderijen met een stiepel (uitneembare middenstijl) in het midden. Zie ook stiepelteken. |
| Nieuwland | Onderdeel van Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden dat is ontstaan door actieve dijkaanleg en landaanwinning buiten de 13e eeuwse ringdijk. Het bestaat vooral uit jonge, mariene afzettingen aan de rand van de eilanden. Door de relatieve zeespiegelstijging liggen deze gronden hoger dan de eerder gesedimenteerde, en nadien ingeklonken, centrale delen van het eiland. Er is een regelmatige blokverkaveling. Op de lichtere klei en de hoger gelegen drogere grond is akkerbouw mogelijk. Het veelal opgeslibde zand komt terug innamen als Heinkenszand. Zie ook oudland. |
| Nij | Nieuw |
| Nisse, nes | Landtong (b.v. Bruinisse) |
| Nol | Zichtbare plaats nabij een wiel waar het water doorheen spoot na een dijkdoorbraak of resterend deel van een door de zee weggeslagen dijk. Wordt ook wel dijknol genoemd. |
| Nol | Zandheuvel of lage duin. Wordt ook wel kling genoemd. |
| Normaal Amsterdams Peil (NAP) | Het Normaal Amsterdams Peil (NAP) is onafhankelijk van een stijging of daling van de zeespiegel. Het is gebaseerd op het Amsterdams Peil, dat overeen komt met het gemiddeld zeeniveau gedurende een bepaalde periode. Het werd voor het eerst in 1683 onder de naam 'Stadpeyl' vastgelegd door het aanbrengen van marmeren platen met een horizontale groef in acht Amsterdamse sluizen (in de Eenhoornsluis in de Korte Prinsengracht nog te zien). Later werd ontdekt dat deze peilmerken niet allemaal op dezelfde hoogte zaten. Daarom werd het 'Nieuw Amsterdams Peil' gedefinieerd. In 1818 werd dit NAP bij koninklijk besluit landelijk van toepassing verklaard. In 1953 werd het Normaal Amsterdams Peil vastgelegd door de hoogte van de halfbolvormige bovenkant van een bronzen bout op een 22 meter lange heipaal op de Dam in Amsterdam. De bout bevindt zich op negentig centimeter onder het plaveisel (alleen de putdeksel is te zien), zijn hoogte is (afgerond) 1,43 meter boven NAP. Later is een bout op 0 meter NAP aangebracht in de Amsterdamse Stopera. Het NAP ligt dus vast verankerd en kan dus nooit stijgen of dalen. De zeespiegel kan wel stijgen ten opzichte van dit vaste peil, maar de hoogte van bergen wordt daar niet minder door. In België zijn de hoogtegegevens gebaseerd op Oostende Peil (= NAP –2,34 m), in Duitsland op Normal Null (= NAP). Zie ook RDNAP |
| Nutstuin | Tuindeel met fruitbomen en moestuin |
| [begin pagina] | |
| Oerbos | Natuurlijk ontstaan bos, niet door de mens aangeplant. Het laatste stukje oerbos in Nederland was het Beekbergerwoud nabij Apeldoorn, waarvan op 10 juni 1871 de laatste boom werd gekapt. Dit bos lag in een laagte waardoor het van nature zeer nat was. Het werd omgezet naar landbouwgrond. In 1993 heeft Natuurmonumenten een visie opgesteld voor herstel van het woud. In delen van de Oostvaardersplassen en in Norgerholt (Drenthe) ontstaat nieuw oerbos door het menselijk ingrijpen tot nul te reduceren. Zie ook cultuurbos, natuurlijk bos en productiebos. |
| Oerstroomdalen | Drie dalen ontstaan tijdens de Saale-ijstijd: Betuwe, Overijsselse Vechtdal en Hunzedal. |
| Oeverland | Buitendijks gelegen stuk grond |
| Oeverlijn | De overgang van het natte naar het droge talud bij het hoogste ter plaatse voorkomende peil. |
| Oeverval | Plotseling bezwijken van een oever door een zettingsvloeiing. |
| Oeverwal | Natuurlijke hoogte langs een (voormalige) rivierloop waarop zich zanderige klei (grovere sedimenten) afgezet heeft. Deze gronden zijn daardoor vruchtbaarder dan de zware kleigronden in de kommen (veroorzaakt door de goede chemische vruchtbaarheid en de goede structuur van de zavel). Op de oeverwallen staan de boerderijen (in het rivierengebied) en veel fruitbomen. In Nederland zijn gedurende het Holoceen veel oeverwallen gevormd. De rivieren stroomden in deze periode rustig, waardoor de transportcapaciteit gering was. In de bedding vond dus veel sedimentatie plaats. De waterberging van de rivieren werd daardoor kleiner, waardoor veel overstromingen ontstonden. Het grovere materiaal, vooral zavel, werd direct naast de bedding afgezet: de oeverwal. Deze sedimentatie werd versterkt door de oeverbegroeiing. Verder van de oeverwal af bezonk ook het fijnere materiaal: klei. Hier ontstonden de komgronden. Vóór bedijking verlegden rivieren steeds hun loop door het geleidelijk verzanden van de bedding. Daardoor ontstond een heel netwerk van stroomruggen (verzande beddingen, samen met de oeverwallen) en komgronden. |
| Offensieve bedijking | Het bedijken van kwelders met als hoofddoel landaanwinning. Zie ook defensieve bedijking. |
| Olifantspad | Door spontaan regelmatig gebruik ontstaan voetgangerspad. |
| Omgelanden | Eigenaars van landen om enig aangewezen punt. Vergelijk ingelanden. |
| Onderbemalen | Het bemalen van een deel van een polder voor akkerbouw (lagere grondwaterstand nodig) rondom veeteeltgebieden |
| Onderzouw | Zie vloeiweide. |
| Onland | Onbruikbaar woest land, met name moerasland. Vaak gaat het hier om diep uitgetichelde percelen waar tegenwoordig vaak wilgen groeien. |
| Ontginnen | Grond geschikt maken als bouw- of akkerland. |
| Ontwateren | Onttrekken van water uit de bodem om het grondwaterpeil te verlagen door drainage en sloten. |
| Oog (1) | Eiland (b.v. Schiermonnikoog) |
| Oog (2), aag | Laag gelegen weiland (aag is Friese vorm) |
| Ooibos | Nat bostype dat vroeger langs de grote rivieren voorkwam en langdurige overstromingen kon weerstaan. Krijgt momenteel weer de kans om tot ontwikkeling te komen, met zachthout-ooibos op de natste plekken (wilgen en zwarte populieren) en hardhout-ooibos op de hogere rivieroevers (eiken, iepen, meidoorns, wilde rozen en zoete kersen). |
| Oord | Plaats, landtong |
| Open-field | Landschap met grote open ruimten waarin je vaak van horizon tot horizon kunt kijken |
| Opgeleide beek | Langs een hoogtelijn geleid beekgedeelte. Zie ook spreng. |
| Opgevaren grond | Verbeterde bodem met een dikke humusrijke toplaag die is onstaan door het aanbrengen van sloot- en meerbagger op veengrond om tuinbouw mogelijk te maken. In Nederland zijn deze bodems lokaal geconcentreerd bij Aalsmeer en de Streek (Broek op Langedijk). Opgevaren gronden behoren tot de eerdgronden. |
| Opscheping | Aanlegplaats in een ringvaart om een droogmakerij, met name de Beemster, waar geladen en gelost kan worden. Op de meeste plaatsen waar een weg op de dijk uitkomt, was een opscheping, waarvan er vele nog te zien zijn. |
| Opstrekkende heerde | Door landaanwinningen steeds groter wordend bedrijf (Groningen en Friesland). |
| Optassen | Opstapelen. |
| Opvaart | Kanaal dat haaks op een ander kanaal staat, meestal als verbinding tussen een boerderij en de hoofdvaart. De benaming komt vooral voor in Groningen en Friesland, daarbuiten komen ook opvaarten voor die daar ook wel schipsloot, schipvaart of brandsloot genoemd worden. Opvaarten zijn vooral aangelegd om vruchtbare wierdegrond of turf te kunnen vervoeren. De naam brandsloot verwijst naar de andere reden om zo'n water aan te leggen: de beschikking hebben over voldoende bluswater in geval van brand. Veel van dit soort zijtakken hebben hun functie verloren en zijn nu gedempt. |
| Opvaart | Waterweg in een vaarpolder waar boerderijen alleen over het water te bereiken zijn. De opvaart verbindt de boerderij met de doorgaande watergangen. |
| Opwas | Aangroei van land door sedimentatie op oudere (kwelder) afzettingen. Zodra bedijking zin had, sprak men van een opwas. Sommige opwassen hebben het bestanddeel 'zand' in hun naam, b.v. Heinkenszand. Zie ook aanwas. |
| Orangerie, oranjerie | Op veel buitenplaatsen en landgoederen voorkomend bouwwerk waar vorstgevoelige uitheemse gewassen (oorspronkelijk sinaasappelboompjes) kunnen overwinteren. In de Middeleeuwen kwamen de limoen en de citroen via Azië Europa binnen, in de 16e eeuw volgde de sinaasappel ('oranje'). Deze citrusplanten werden al snel populair aan vorstenhoven en bij rijke kooplieden. De dieproene planten die vruchten en bloemen tegelijkertijd dragen zijn bijzonder fraai. De vruchten werden gebruikt in reukwater, vruchtensappen en geneesmiddelen. Om de planten te kunnen verplaatsen werden ze in kuipen gekweekt (kuipplanten). |
| Orgelpijp | Zie doline. |
| Orogenese | Gebergtevorming. |
| Osar | Scandinavische naam voor smelwaterrug. |
| Ossengang | Zie ossenweg. |
| Ossenweg | Rondweg om terp of wierde in het zeekleigebied waarover het vee van de boerderij naar de weilanden gevoerd werd. Ook wel ossengang genoemd. |
| Ottoonse tijd | Tijdperk in de vroege Middeleeuwen, van 900 - 1000, volgde Karolingische tijd (750 - 900) op; [zie tijdbalk] |
| Oudhoevig type | Ontginningsvorm op zandgronden, voor de grote heideontginningen van de 19e eeuw, in tegenstelling tot het heideontginningslandschap |
| Oudland | Onderdeel van de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden dat bestaat uit oude kwelders of schorren (tot de eerste helft van de 13e eeuw). Via kreken heeft de zee zeeklei afgezet op de omliggende veengronden. Soms werd zelfs het veen door de zee weggeslagen. Door langdurige inklinking is het oude land laag gelegen. Het is door zijn lage ligging vochtig, waardoor het niet zo geschikt is voor akkerbouw. Soms is het veen niet weggeslagen, maar overspoeld met zeewater en raakte daardoor verzadigd met zout. Het grondwater is ook nu nog enigszins brak. In andere gevallen is er bij overstromingen zeeklei over het veen afgezet. Omdat de boeren bij hun verkaveling oorspronkelijk het oude kreekpatroon volgden, is er sprake van een zeer onregelmatige blokverkaveling. In het oudland kwamen van oosprong vluchtburgen voor. De laatste decennia verdwijnen als gevolg van ruilverkaveling, betere ontwateringstechnieken en egalisering deze karakteristieke landschapselementen steeds meer. De mooiste voorbeelden van oudland zijn het Oudeland van Strijen in de Hoeksche Waard en de Yerseke Moer op Walcheren. De hoger gelegen zandige kreekruggen en de lager gelegen kleiige poelgronden als gevolg van reliëfinversie zijn typerend voor dit deel van de eilanden. Zie ook nieuwland. |
| Oude zeeklei | Blauwgrijze zeeklei, zwaar, afgezet ongeveer 3000 voor Christus in West Nederland, ook wel afzetting van Calais genoemd |
| Overhaal | Zie overtoom. |
| Overlaat | Verlaging in een dijk om water af te leiden om zo een overstroming in goede banen te leiden (rivierengebied) |
| Overslaggrond | Waaiervormige zavelige afzettingen die ontstaan in de nabijheid van een plaats waar een dijkdoorbraak heeft plaatsgevonden. Als een rivierdijk doorbreekt, ontstaat achter de dijk een wiel: een zandig, diep, rond kolkgat, dat na dijkherstel overblijft. In de nabijheid van een wiel zijn altijd overslaggronden te vinden. Ze ontstaan doordat het oeverwalmateriaal bij de dijkdoorbraak wordt weggeslagen en aan de andere kant van het wiel wordt afgezet. Daar ligt de overslaggrond dus op de eerder gesedimenteerde komgrond. Overslaggronden zijn vruchtbaar en worden vaak gebruikt voor boomgaarden. |
| Overstaander | Vrijstaande boom die tot doel heeft bescherming te bieden aan de verjonging (al dan niet geplant) en als zaadbron te dienen voor de natuurlijke verjonging. Meestal is de boom gespaard bij houtkap. Indien meerdere bomen gespaard zijn spreekt men van schermbomen, als er maar weinig bomen over zijn ook wel van overstaanders. |
| Overstap | Inrichting om voetgangers doorgang te verlenen door gebieden waar vee wordt geweid. Kan een klimhekje of een plankier zijn. In Limburg komen draaihekjes voor die aldaar stegels worden genoemd. |
| Overstort, riooloverstort | Situatie waarin rioolwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Dit vindt plaats wanneer het riool door teveel neerslag niet al het rioolwater kan verwerken. |
| Overtoom | Dubbel hellend vlak op een dam of een kade tussen twee wateren waar schepen overheen getrokken konden worden met behulp van rollen die onder het schip geplaatst werden of een windas. Veel gebruik op plaatsen waar het bouwen van een sluis niet lonend was. Ook wel overhaal genoemd. Een moderne versie van de overtoom is de scheepslift. Van de oorspronkelijke overtomen is er geen overgebeven, maar de Schuitenlift aan de Broekerhaven in Bovenkarspel uit 1923 is een moderne variant. |
| Overtuin | Siertuin die aan de ‘andere kant van de sloot’ aangelegd werd omdat de erven bij de woningen werden gebruikt als bleekveld, vaak door hek of schutting omgeven (o.a. in de Zaanstreek). Op Schiermonnikoog tuinen die aan de andere kant van een achterpad zijn gelegen. Zie ook drachtplantentuin en knopentuin. |
| Overzetveer | Klein veer voor voetgangers en vee dat sinds de late Middeleeuwen in het rivierengebied voorkomt. |
| Oxidatie | Na ontwatering van veengebieden kan zuurstof doordringen in de bovenste veenlagen, waardoor plantenresten verteren en uiteenvallen in koolstof en water. Ook wel krimp genoemd. Zie ook maaivelddaling. |
| Oy | Buitendijks land |
| [begin pagina] | |
| Paalhoofd | Twee of drie rijen palen die loodrecht op de kust staan. De tussenruimten kunnen gevuld zijn met stortsteen. |
| Paap | Zie spekdam. |
| Paardentil | Brug waarover paarden die een trekschuit trok naar de andere kant van een trekvaart geleid werden. In het Groningse Stedum is een paardentil gerenoveerd. Wordt ook til genoemd. |
| Paddenpoel | Poel van minimaal één meter diep, bedoeld als leefgebied voor amfibieën, zoals kikkers en padden. In de winter kruipen amfibieën in de modder om te overwinteren. Als de poel ondieper is bestaat het gevaar dat de overwinterende beesten bevriezen. De zuidoever van de poel dient een flauwe oever te hebben; amfibieën zijn koudbloedig en dit is een belangrijke plek waar ze zich kunnen opwarmen. Een paddenpoel mag niet in open verbinding staan met wateren waar vis in leeft, de jonge kikkers en padden zouden dan namelijk opgegeten worden door vissen. |
| Paltrokmolen | Kleine houtzaagmolen die veel voorkwam langs de Zaan. De molen is rondom omgeven door water, zodat het hout op elke windstand binnen te halen is. De Zuid-Hollandse paltrokmolen is kleiner en minder grof dan de Zaanse. De naam is ontleent aan de klederdracht uit de Duitse Pfalz. Er zijn er nu nog maar vijf van in Nederland. |
| Palts | Koninklijke verblijfplaats uit het Frankische Rijk en Heilige Roomse Rijk die zowel kasteel als paleis waren. Paltsen bevonden zich door het hele rijk zodat de koning en later de Duitse keizer rondreizend van palst tot palts zijn rijk kon besturen. In Nederland hebben paltsen gestaan in Nijmegen, Utrecht en Zutphen. Zie ook kasteel. |
| Paraboolduin | Zandrug of duin in een langgerekte halvemaanvorm waarvan de punten van de wind af wijzen. Wordt ook wel blinkerd, sikkelduin of barchaan genoemd. |
| Parasollaan | Met bomen omzoomde allee op een landgoed waar dames konden flaneren. Er is er nog een op o.a. Elswout in Overveen. |
| Peel | Moerasland |
| Peelbaan | Weg door het veen (in de Peel) voor de afvoer van turf; ontwaterd door aan weerszijde watergangen te graven |
| Peil | Niveau van de waterstand. |
| Peilgebied | Waterstaatkundige eenheid waar een zelfde waterpeil heerst. Dit peil kan worden geregeld door een gemaal of een stuw en wordt bepaald door het waterschap. |
| Peilschaal | Blauw bord langs een rivier waarop de waterstand boven NAP te lezen is. |
| Peilschaalgebouwtje, -huisje | Huisje langs de dijk waarin de waterstand tijdens hoogwaterperioden kan worden afgelezen. Het water kan door een pijp onder het huisje naar binnen stromen. In het rivierengebied is nog een aantal van dergelijke huisjes te vinden. Bij Amerongen staat nog een (u-vormig) peilschaalhuisje. |
| Pelgrimsweg | Wegen in katholiek Nederland die kloosters, kapellen en kerken met elkaar verbinden. |
| Penantensluis | Schotbalk(en)sluis met tussengelegen scheidingsmuren (penanten). Zie ook stuw en sluis. |
| Pestbosje | Klein rechthoekig bosje op weilanden, op plaats waar vroeger vee werd begraven na een besmettelijke veeziekte (o.a. in Friesland), zie ook miltvuurbosje |
| Petgaten | Uitgeveende delen tussen de zetwallen (of ribben), ook wel weren of trekgaten genoemd |
| Piekberging | Wordt ook wel calamiteitenberging genoemd. Het bergen van piekneerslagen, die onvoorspelbaar zijn in ruimte en tijd, vraagt om lege ruimte die snel (onder vrij verval) en incidenteel kan worden benut om grote hoeveelheden water tijdelijk te ‘stallen’. Piekberging kan plaatshebben op het land of op het water. Bij piekberging op het land wordt een polder tijdelijk gevuld met water (inlaat- of calamiteitenpolder), bij piekberging op water wordt het peil van bestaand water flink verhoogd (verticale berging). Zie ook verticale berging, horizontale berging en seizoensberging. |
| Pijpsloot | Smalle rechte sloot. |
| Pinetum | Park waar op systematische wijze naaldbomen zijn verzameld. Een voorbeeld is Schovenhorst in Putten. Als er ook loofbomen staan wordt gesproken van een arboretum. |
| Pingo | Vorstheuvel, ontstaan doordat tijdens de laatste ijstijd (Weichselien, ongeveer 100.000 jaar geleden)onder het aardoppervlak een ijskern ontstond die geleidelijk aangroeide en zo de aarde optilde. Als het water smelt en de 'heuvel' instort ontstaat er een pingoruïne. |
| Pingoruïne [artikel] | Ven ontstaan uit een fossiele pingo, omwalde depressie, soort dobbe, ontstaan uit een pingo. Voorbeelden zijn te vinden in het Friese Elsloo (Schapenpoel), op de heide van Duurswolde in Friesland, het Fochtelooër Veen in Drenthe (Esmeer), ten zuiden van het Friese Kollumerzwaag en op het Balloërveld in Drenthe. De grootste pingoruïne in Nederland is het Uddelermeer op de Veluwe. |
| Pionierplanten | Eerste planten die zich vestigen op een nieuw stuk duingrond of drooggevallen grond |
| Piramide | Populaire benaming voor een zwaar uitgevoerde afwachtingsdekking (dekkingsruimte voor personeel) van gewapend beton, zoals veel toegepast in de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 1939-1940, voornamelijk nabij Muiderberg en Uitermeer. De naam duidt op de vorm, die lijkt op een afgeknotte piramide. De officiele naam is 'groepsschuilplaats type p'. |
| Plaat | Uit zandig materiaal bestaand onbegroeid gebied in het waddengebied dat alleen bij eb droogvalt, zie ook slik |
| Plaatse | Driehoekig plein in dorpen op de Noord-Brabants zandgronden, Brabantse term voor brink. |
| Plaats, plaets | Friese boerderij; in Groningen heten veel boerderijen heerd of state, in Noord-Holland komt de naam hofstede voor
|
| Plas | Oppervlak van min of meer stilstaand water, dat in tegenstelling tot een meer zo ondiep is dat het zonlicht de bodem kan bereiken. Door de geringe watermassa treden sterkere milieuschommelingen dan in een meer, waardoor er minder minder planten- en dierensoorten voorkomen. Vaak is het gehele bodemoppervlak met planten begroeid en kan een plas snel verlanden. Een voedselarme plas op zandgrond wordt ven genoemd. |
| Plasberm | Ondiep gedeelte water van circa één meter breed langs oevers. De planten die erin groeien kunnen de oever beschermen. |
| Plateaudorp | Dorpstype in Zuid-Limburg, genoemd naar de ligging op een hoogvlakte, van jongere datum dan de in het dal langs de beek/rivier gelegen daldorp |
| Plofduiker | Duiker die voor inundatiedoeleinden op snelle wijze kan worden gesloten door het, met behulp van explosieven, doen neerstorten van ballast uit een boven de waterloop in het dijklichaam aangebrachte bak. |
| Plofsluis [artikel] | Voormalige sluis bij Nieuwegein die bij oorlogsdreiging snel het Amsterdam-Rijnkanaal af moest dammen om te voorkomen dat het water uit de omliggende gebieden bij inundatie via het kanaal zou wegstromen. Zie verder bij sluis en acces. |
| Podzolgrond | Bodem met een loodgrijze uitspoelingslaag A2 en een donkergekleurde inspoelingslaag B2. De uitspoelingslaag wordt loodzandlaag genoemd vanwege de grijze kleur, de inspoelingslaag wordt wel oerlaag of ijzeroerlaag genoemd vanwege de afzetting daarin van ijzerverbindingen. Een podzolbodem is meestal van zeer matige kwaliteit. |
| Poel | Moeras of plas. |
| Poelgronden | Grond bestaande uit een dun dek van zware klei rustend op veen en liggend tussen hoger gelegen kreekruggronden, veelal in Zeeland. Het veen onder het kleidek werd vroeger gebruikt als brandstof (moernering) en voor de zoutwinning (selnering). Daartoe werd plaatselijk veel veen afgegraven en naar boven gehaald. De poelgronden werden als weidegebied in gebruik genomen, omdat ze laagliggend , nat en ligt verzilt zijn. In de ondergrond zit namelijk nog steeds het zoute veen. |
| Pol | Klein opgeworpen heuveltje op de zandgronden van plaggen, met een diameter van 0,5 tot 2 meter met dezelfde functie als een grenspaal. Soms werden er op de pollen grensstenen of palen gezet. |
| Polder | Met dijken omgeven gebied waarbinnen de waterstand kunstmatig op peil gehouden wordt. Er zijn drie soorten polders: (laag)veenpolders, zeekleipolders en droogmakerijen. |
| Poldergemaal | Gemaal dat het uitmalen van het water uit de polder naar de boezem verzorgt. Is onder te verdelen in een hoofd- en een sub-poldergemaal. |
| Polderkade | Vanaf het jaar 1000 werd land ingepolderd. Daarvoor was het nodig het veen te ontwateren. Haaks op de oeverwallen groef men sloten om het overtollige water af te voeren. Op die manier ontstonden de eerste polders. Om de polders te begrenzen werden evenwijdig aan de oeverwallen polderkades aangelegd, terwijl aan de zijkant van de polder verbindingskaden naar de oeverwal werden gemaakt. De polderkaden werden door de boeren ook gebruikt om de achterin de polder gelegen graslanden te bereiken. Omdat boeren hout nodig hadden voor hekken, schoppen, bonenstaken en brandhout plantten ze struiken en bomen op de polderkaden. |
| Poldersloot | Minst belangrijke sloot in een polder of droogmakerij, voert kwelwater via de haaks op de sloten staande tochten naar de poldervaart in het midden van de polder. Wordt in tegenstelling tot de schouwsloot onderhouden door het waterschap. Ook wel kavel- of heinsloot genoemd. |
| Poldervaart | Vaart in het midden van een polder / droogmakerij, wordt gevoed door diverse tochten en loopt naar het gemaal of de molengang |
| Pomp | Afwateringssluisje, zie verder bij sluis. |
| Postweg | Weg die deel uitmaakte van het netwerk van de Koninklijke Nederlandse Paardenposterijen (een organisatie die tijdens de Franse bezetting in het leven geroepen was). Deze wegen mochten alleen gebruikt worden door de Paardenposterij (voor personen en goederen) en de Estafettepost (briefvervoer). |
| Poterne | Overdekte doorgang door een muur of wal van een verdedigingswerk, via welke manschappen en materieel naar en van de gedekte weg en de ravelijnen kunnen worden vervoerd. De poterne kon aan weerskanten met deuren worden afgesloten. De term wordt ook gebruikt voor een overdekte gang tussen verschillende delen van een verdedigingswerk. |
| Potstal | Schapenstal in esdorpenlandschap waarin steeds een nieuwe laag stro, heideplaggen of bladstrooisel op mest en gier werd gestrooid. Essen (schrale zandgronden) werden eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen uit de potstallen, schapenmest werd hiervoor in de 18e en 19e eeuw het beste bevonden. |
| Priel [afbeelding] | Fijnere vertakking van geulen in een waddengebied. Wadden worden doorsneden door een stelsel van prielen, die zijn ontstaan door de schurende werking van afstromend water bij dalend tij. De prielen hebben een verwilderd of meanderend karakter en verleggen voortdurend hun loop. Zie ook geul |
| Productiebos | Bossen met het produceren van hout als voornaamste doel. Meestal wordt maar één soort aangeplant. Bomen worden op korte afstand van elkaar geplant om in de hoogte te groeien, zodat wordt voorkomen dat het hout grote noesten gaat vertonen. Door de gebrekkige lichtinval komt er weinig onderbegroeiing voor (zie kruidlaag). Na 1880 werd vooral de grove den aangeplant om te worden gebruikt als stuthout in de Nederlandse en Belgische mijnschachten. Om deze reden, en om de woeste gronden te ontginnen, werden in 1888 de Heidemij (het huidige Arcadis) en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht. Na 1900 werd ook loofhout aangeplant. Vooral de eik is goed bruikbaar: hout voor planken, de bast voor leerlooierijen en de takken als brandhout. Sinds de Boswet van 1922 moet bos in Nederland na kap opnieuw aanplant worden. Zie ook cultuurbos, oerbos en natuurlijk bos. |
| Profielwand | Verticale wand die zicht biedt op een deel van de aardkundige ondergrond, komt voor in groeves en in buitenbochten van rivieren en beken. |
| Pseudo esker | Vorm in het land die uiterlijk grote gelijkenis toont met een 'echte' esker, maar waarvan de ontstaanswijze naar alle waarschijnlijkheid eolisch (door de wind gevormd) van aard is. |
| Puinhelling | Een helling die is opgebouwd uit los verweringsmateriaal, vaak onstabiel door de maximale hellingshoek in los materiaal. |
| Puinwaaier | Groot deltavormig sedimentpakket dat zich opbouwt in het gebied waar een rivier in een bekken terecht komt. Door de afname van de stroomsnelheid gaat sedimentatie optreden, waarbij de grove deeltjes het eerst bezinken en de fijnere verder op de vlakte worden afgezet. In Nederland zijn puinwaaiers afgezet in het pre-glaciaal door o.a. Rijn en Maas. |
| [begin pagina] | |
| Raaipaal, - bord | Wit bord met zwart opschrift op zwart/gele paal langs waterwegen met (kilometer)aanduiding. Een raai(lijn) is een denkbeeldige lijn dwars over het water van de rivier. |
| Raatakker | Vierkante aaneensluitende akkers zoals die vanaf de Late Bronstijd tot in de Romeinse tijd als landbouwsysteem werden gebruikt voor de verbouw van primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt. De akkers waren zo'n 35 bij 35 tot 50 bij 50 meter groot en voorzien van een aarden wal. Deze wallen zijn soms nog terug te vinden, zoals op het Noordsche Veld bij Zeijen. Nadat een groot rechthoekig gebied (deels) was ontgonnen, verdeelde men het in kleinere percelen ten behoeve van deze akkers. Indien de akkergrond uitgeput raakte, dan werd deze opzij geschoven en werden nieuwe vruchtbare zoden van elders aangevoerd zodat men verder kon landbouwen. Met het aanbrengen van nieuwe zoden ontstond, met name bij raatakkers op zandgronden, ook een betere vochtregulatie op de akker omdat zand slecht vocht vasthoudt. Raatakkers worden ook wel celtic fields genoemd. |
| Rabat (1) | Verhoging in het bos waar bomen op staan. In oude bossen staan de bomen soms op kleine aarden ruggetjes van een halve tot een meter hoog en twee meter breed, met daartussen greppels. Deze rabatten zijn een overblijfsel uit de tijd dat veel bos werd aangelegd ten behoeve van houtproductie op plaatsen waar het eigenlijk te vochtig was. Nu zijn rabatten nog te vinden in laaggelegen gebieden om de Veluwe (Leusveld in Brummen), en in Noord-Brabant (Kampina, Plantloon, Landgoed Stippelberg). Zie ook rabatbos. |
| Rabat (2) | Verhoogd kweekbed voor jonge planten waar de kweekcondities beter zijn. |
| Rabatbos | Door rabatten begrensd (wilgen)bos. |
| Rabot | Keersluis in een waterloop, bestaande uit twee op elkaar liggende horizontale balken, die aan de uiteinden in de groeven van de sluismuren passen. |
| Rade, rode | Middeleeuwse ontginningsnaam die duidt op het rooien van bos, veelal in Limburg, zie ook rooi. |
| Rading | Grens (b.v. Hollandsche Rading). |
| Rak | Recht stuk water, tussen twee bochten (b.v. Damrak, Gouderak). |
| Randmeer | Water tussen het oude land en polders dat fungeert als buffer. Zonder randmeren zouden delen van het oude land verdrogen als gevolg van grondwaterdaling, wat te zien is in de gebieden rondom de Noordoostpolder. |
| -rath | Ontginning |
| Ravelijn | Onderdeel van een vestingwerk, tussen twee bastions in de vestinggracht gelegen drie- of vierhoekig eilandje dat van achteren open is en is opgebouwd uit enkele taluds. Een ravelijn dekt een courtine en de eventueel daarin gelegen toegang tot de versterking (stadspoort). |
| Ray | Zie rooi. |
| RDNAP | Instelling die informatie over de geometrische infrastructuur van Nederland beheert en distribueert. Deze bestaat uit een horizontale component, de X- en Y-coördinaten van de RD-punten (zie Rijksdriehoeksmeting), en een verticale component, de hoogtes van NAP-peilmerken (zie Normaal Amsterdams Peil). Deze infrastructuur vormt de basis voor landmeetkundige werkzaamheden binnen Nederland. De afdeling Rijksdriehoeksmeting van het Kadaster is verantwoordelijk voor de horizontale component en de afdeling NAP van de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat is verantwoordelijk
voor de vertikale component. |
| Recroduct | Combinatie van een natuurbrug en een recreatieverbinding, zoals wandel- fiets- of ruiterpad. Er wordt een recroduct gebouwd over de Zandvoortselaan in Zandvoort. |
| Redoute | Simpele versterking, of schans, vierhoekig en opgebouwd uit aarden wallen. Een redoute fungeerde als buitenwerk van een versterking of maakte deel uit van een linie. Ook wel flêche genoemd. |
| Reep, rijp | Strook land, waterkant, als in 'zeereep'. |
| Reeweg | Benaming voor een doodweg die in Drenthe voorkomt. |
| Regel | Rij koeien in een stal. |
| Regol | Element van het bewateringssysteem van een vloeiweide die het water aanvoert. |
| Relatieve zeespiegelstijging | Gecombineerde effect van de stijging van de zeespiegel en de daling van het land |
| Reliëfinversie | Omkering in hoogte, in zeekleilandschap komen met zand opgevulde kreekbeddingen uiteindelijk hoger te liggen dan de ernaast gelegen meer ingeklonken poelgronden (veen) |
| Retentie | Zie seizoensberging. |
| Restheem | Verhoging in laagveengebied waarop bebouwing staat of heeft gestaan (het veen nog aanwezig) |
| Restverkaveling | Deel van een dorpsgebied met een afwijkende verkaveling; zie ook andere typen verkaveling |
| Retentiebekkens, -polders | Gebieden waar bij hoogwater tijdelijk (rivier)water kan worden opgeslagen, met als doel een groter hoogwater te voorkomen. |
| Retranchement | Dwangburcht, zelfstandig, veelal aarden verdedigingswerk zonder vaste vorm. Ook wel een verschansing achter de muur of wal van een vestingwerk om de verdediging door te kunnen zetten als er een bres in de muur of wal geslagen is. |
| Ribben | Smalle stroken land waarop uitgestoken turf te drogen werd gelegd (b.v. Weerribben), ook wel legakkers of zetwallen genoemd |
| Ridderhofstede, ridderhofstad | Versterkt en vaak omgracht huis van een ridder in Oost-Nederland en Drenthe. Vergelijkbaar met een havezate in Oost-Nederland, een stins of een state in Friesland en een borg in Groningen. Zie ook kasteel. |
| Rietbeslag | Tijdelijke afdekking met riet als taludverdediging. |
| Rietschoot | Moerassig land, begroeid met riet. |
| Rijksdriehoeksmeting (RD) | Nationaal rechthoeking coördinatensysteem op basis waarvan topografische kaarten worden gemaakt. De oorsprong ligt in Amersfoort (Onze Lieve Vrouwetoren) met de waarden X = 155 000 en Y = 463 000. Zie ook RDNAP. |
| Rijksstraatweg | Verbindingsweg tussen grote steden, vooral aangelegd tussen 1811 en 1860. Meestal met bomen er langs, oorspronkelijk als steenweg uitgevoerd van kasseien en later aan twee zijden verbreed met klinkers. De oude weg van Tilburg naar Den Bosch is nog in het landschap herkenbaar; bij Vught is een gedeelte rereconstrueerd. Langs deze wegen stonden veel tolhuizen. |
| Rijsbeslag | Een laag rijshout die de grond bedekt, en aan de grond bevestigd is met paaltjes en/of ijzerdraad. |
| Rijsdam | Strekdam uit zinkstukken van rijshout in kwelders om te voorkomen dat deze kwelders door golfafslag worden aangetast. Rijsdammen bevorderen ook de aanslibbing. Ze verteren op den duur vanzelf. |
| Rijshout | Uitlopers van wilgenstammen, dunne takken, meestal zo'n vier jaar oud. |
| Rijswaard | Benaming voor een griend in het westelijke rivierengebied. |
| Ringburcht | Zie ringwalburcht. |
| Ringburgwal | Zie ringwalburcht. |
| Ringdijk | Dijk rondom een bemalen stuk land, meestal een droogmakerij, en gelegen tussen polder en ringvaart. Zie verder bij dijken. |
| Ringdorp [afbeelding] | Oud dorpstype waarbij de bebouwing zich concentreerd rond een knooppunt van wegen en soms een kerk |
| Ringstraatdorpen | Dorpstype van de Zuid-Hollandse eilanden, uit de 15e en 16e eeuw, combinatie van kerkringdorp en voorstraatdorp, aan het eind van de voorstraat die haaks op de dijk staat, bevindt zich de omgrachte kerkring met de kerk, b.v. Sommelsdijk en Middelharnis |
| Ringvaart | Brede poldersloot rond een polder of droogmakerij, gelegen aan de buitenzijde van de ringdijk. |
| Ringwalburcht | Ronde omwalde en omgrachte vluchtheuvel, waarvan de wal was voorzien van doornhagen en rijen van gepunte palen. Er zijn in Nederland circa tien ringwalburchten bekend, die zijn gebouwd in de periode 800 - 1100. Plaatsnamen, waarin het woord burg of borg voorkomt, zoals in Middelburg, Domburg, Souburg, Voorburg, Rijnsburg en Den Burg (Texel) zijn veelal uit een ringwalburcht ontstaan. Voorbeelden zijn de Hunneschans (Uddel), de Heimenberg (Grebbeberg bij Rhenen) en de Duno (Doorwerth). De mooiste overblijfselen zijn te zien op de Grebbeberg: een wal van 3 meter hoog, daarachter een droge gracht en daarachter 2 lagere wallen. Wordt ook Ringburcht of ringburgwal genoemd. Zie ook kasteel. |
| Rioolgemaal | Gemaal in een rioolstelsel om afvalwater naar een hoger peil te brengen of over langere afstand te transporteren. Er zijn drie typen:
- Natte kelder, een rioolgemaal met dompelpompen die geheel onder water in de ontvangstkelder staan.
- Droge kelder, een rioolgemaal met pompen die in een droge kelder naast de ontvangstkelder staan.
- Boostergemaal, een rioolgemaal voor het transport van afvalwater door persrioolleidingen. De boostertechniek betekent het verhogen van de druk in vloeistofleidingen, door de vloeistof rechtstreeks van één pompinstallatie naar de volgende te persen. Het grote voordeel is dat geen ontvangstkelder nodig is, waardoor het systeem aanmerkelijk kleiner wordt dan bij een traditioneel rioolgemaal. Bijkomende voordelen zijn ook dat er geen energieverlies optreedt bij de uitstroom in de kelder en dat het systeem volledig gesloten is waardoor geen geuroverlast ontstaat. De bekendste toepassing van boostergemalen voor rioolwater is in Amsterdam. Daar is begin 2006 een nieuwe centrale rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi) in het Westelijk Havengebied geopend. De nieuwe rwzi zuivert al het Amsterdamse rioolwater, dat wordt aangevoerd door 49 km persrioolleiding en 4 boostergemalen.
|
| Rivier | Natuurlijke waterloop ontstaan uit de samenvloeiing van neerslag en/of smeltwater. |
| Rivierdal | Langs een rivier door opstuiving ontstane verhoging van het terrein; zie ook donk |
| Rivierduin | Door het verstuiven van zand ontstane verhoging van het terrein langs een rivier. Het is opgebouwd uit materiaal dat tegen het einde van het Weichselien uit de versmallende rivierbeddingen is gewaaid. Rivierduinen komen veel voor langs de Maas in Noortd-Limburg. |
| Rivierkazemat | Zware betonnen kazemat, in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog speciaal aangelegd ten behoeve van het met vuur bestrijken van een brug over een rivier of kanaal; ook wel brugkazemat genoemd. |
| Riviermond | Plaats waar een rivier uitmondt in een zee of meer, kan ook een estuarium of delta zijn. |
| Rivierwaterkering | Zie bandijk en schaardijk |
| Roggemijt | Wijze van opslaan van rogge op het land zoals ook hooi in een hooimijt wordt opgeslagen. |
| Rolpaal, rollepaal | Paal in bochten van een trekvaart waarlangs de treklijn van schepen getrokken kon worden. De lijn tussen de trekschuit en trekker werd bij het nemen van scherpe bochten om een rol- of draaipaal gelegd. De schipper zorgde, door het geven van tegenroer, dat de boot zonder de kant te raken de bocht om kwam. Een rolpaal was een stevige stalen constructie met aan de boven- en onderzijde een oog. In deze ogen liep een houten of stalen rol, waar de lijn langs rolde. Daaraan ontleent de 'rolpaal' ook zijn naam. De rolpaal is in Nederland een zeer zeldzame verschijning geworden. In bijvoorbeeld de provincie Groningen komen ze nog op enkele plaatsen voor. Daarnaast kan men aan de Utrechtse Vecht, tussen Oud-Zuilen en Maarssen, nog een tweetal van deze palen aantreffen. Dit zijn echter replica's. De rolpaal bij Maarssen werd in 2005 ingehuldigd. Wordt soms ook draaipaal genoemd. |
| Romeinse weg | Rechte wegen met een grind- of puindek die Romeinse versterkingen aan de Rijn met het achterland verbonden. Deze wegen hadden zowel een economische- als een militaire betekenis. Bij het Limburgse Swalmen ligt nog een traject van 600 meter lang, daterend uit de tweede of derde eeuw na Christus. Zie ook Hessenweg, Koningsweg en Napoleonsweg. |
| Rondeel | Onderdeel van een vestingwerk, lage, ronde toren die voor driekwart buiten de muur uitstak, van waaruit de ruimte voor de aangrenzende muurdelen wordt bestreken. |
| Rooi, ray | Middeleeuwse ontginningsnaam die duidt op het rooien van bos, zie ook rade. |
| Rooilijn | Vastgestelde grenslijn tussen openbare en particuliere grond die bij het bouwen van huizen niet overschreden mag worden (in bestemmingsplan). |
| Rosmolen | Molen aangedreven door paarden. |
| Ruderaal | Van toepassing op een milieu dat door de mens sterk is verrijkt met vooral organisch materiaal en met soorten die in dergelijke milieus voorkomen (bijvoorbeeld brandnetels op composthopen). Op ruderale terreinen komt veel pioniersvegetatie voor. |
| Rui | Open stadsgracht, die dienst doet of deed voor transport binnen de stad. In de Middeleeuwen werd de rui eveneens gebruikt als open riool, in de 19e eeuw werden in vele steden de ruien overwelfd, waardoor enkel de rioolfunctie overbleef. |
| Ruilverkaveling | Proces, waarbij voor een bepaald gebied de inrichting wordt afgestemd op een efficiëntere verkaveling, verbetering van de infrastructuur en verbetering van de waterhuishouding. Vooral in de jaren ’60 werd de ruilverkaveling grootschalig aangepakt, waarbij veel natuurwaarden verloren gingen. Vanaf 1980 werd landinrichting steeds belangrijker.
- 1924 Start ruilverkaveling
- 1975 Nota relatie landbouw-natuur
- 1985 Landinrichtingswet
- 1990 Natuurbeleidsplan (EHS)
|
| Ruiterwacht | Wachthuis voor bereden troepen. |
| [begin pagina] | |
| Saalhoeve | Boerderij die eigendom was van een landsheer. |
| Saalland | Land behorende bij een saalhoeve. |
| Sandr | Spoelzandwaaiers uit de Saale ijstijd. Toen het ijs ging smelten, werden de stuwwalen aangetast door het afvloeiende smeltwater. Daar waar dit niet rechtstreeks kon afvloeien, zocht het zich een weg over een lager gedeelte van de stuwwal. Met dit smeltwater werd dan ook een gedeelte van het materiaal van de stuwwal meegesleurd in de richting van de rivier. Sandrs komen voor aan de voet van stuwwallen aan de zuidwestzijde van de Utrechtse Heuvelrug, op de Sallandse Heuvelrug, aan de Veluwezoom en ten westen van Nijmegen. |
| Sas, sassing | Zeeuwse naam voor een schutsluis. Zie verder bij sluis. |
| Schaardijk | Dijk waarvan de buitenberm direct aan de rivier ligt. Er is dus geen uiterwaard, waardoor de polder achter de schaardijk extra kwetsbaar is voor overstromingen. Zie verder bij dijken. |
| Schaaroever | Hoge, steile oever aan de buitenkant van een rivierbocht. |
| Schaarrecht | Rechten op basis waarvan een boer gewassen mocht verbouwen en vee mocht laten grazen op gemene (schaar) gronden. Zie Erfgooier. |
| Schaarweide | Gemeenschappelijk stuk grond met een weidefunctie in het zandlandschap. Wordt ook wel meent of markweide genoemd. |
| Schampstenen | Zwerfkeien aan weerszijden van de oprit naar een boerderij om te voorkomen dat een wagen van de oprit afglijdt. |
| Schans [afbeelding] | Omgrachte aarden wal of kleine vesting, vaak in vier-, vijf- of zeshoekige vorm met bastions, groter dan een flêche of een redoute maar kleiner dan een fort. Tijdelijk opgeworpen schansen maakten deel uit van linies waarmee bij een beleg een vesting werd ingesloten. Zij diende ook als bescherming van een legerkamp of bruggehoofd. Als duurzaam opgeworpen werken vormden schansen vaak een onderdeel van een verdedigingslinie. Voorbeelden zijn Nieuweschans en de Zwartendijkster Schans bij Een in Drenthe. Een schans wordt ook wel veldversterking genoemd. |
| Schapendrift | Zie drift |
| -schede, -schot, -schoten | Scheiding, grens |
| Scheepslift | Mechanische constructie die een bak water waar een schip in geplaatst kan worden, verticaal kan verplaatsen. Moderne variant van een overtoom. De Schuitenlift aan de Broekerhaven in Bovenkarspel uit 1923 is een variant van de scheepslift. |
| Scheepsmast | Voor de inpoldering was Flevoland een binnenzee waar ook schepen vergingen. In de bodem van de huidige polders liggen tientallen scheepswrakken; sommige zijn geborgen, andere geconserveerd met folie en voorzien van een metersdik gronddek. Een bult in het landschap is vaak zichtbaar. Landeigenaar Van Dongen heeft bij de prijsvraag 'Erfgoed, al goed' voorgesteld scheepswrakken te markeren. Sindsdien staan op zijn land twee scheepsmasten met een scheepssilhouet om de plaats van twee 18e eeuwse wrakken aan te geven. |
| Scheerheg | Heg in Zuid-Limburg die op een hoogte van een halve tot twee meter worden geknipt. |
| Scheibomen | Geplante bomen als afbakening van een (bos)perceel of een weg, veelal beuken die getopt werden waardoor hun kruin en stam grote afmetingen aannemen. |
| Schelpengrot | Koepel of grotachtige ruimte met schelpenmotieven (rocailles) op veel buitenplaatsen en in aangelegde parken. Op de Veluwe soms onderdeel van een spreng. |
| Schenkeldijk | Binnendijk die de verbinding vormt tussen twee dicht bij elkaar gelegen dijken. |
| Schermboom | Vrijstaande boom die tot doel heeft bescherming te bieden aan de verjonging (al dan niet geplant) en als zaadbron te dienen voor de natuurlijke verjonging. Meestal is de boom gespaard bij houtkap. Indien meerdere bomen gespaard zijn spreekt men van schermbomen, als er maar weinig bomen over zijn ook wel van overstaanders. |
| Schermbos | Bos dat een buffer vormt tegen bedreigende of nadelige elementen in het landschap, bijvoorbeeld om geluidhinder van een snelweg tegen te gaan of om zandverstuivingen te beteugelen. |
| Schijnland | Zie drijftil of kragge. |
| Schijnwaterspiegel | Waterspiegel ontstaan door waterstagnatie in een gebied met een ondoorlatende laag. |
| Schol | Door langzame bewegingen in de aardkorst ontstaan breuken en schollen. Een omhoog geduwde schol noemt men een horst, een weggedrukte schol een slenk. |
| Scholte, scholteboer | Landbouwers, bosbouwers en jagers die door de bisschop van Münster aangesteld waren om diens eigendommen te beheren, beschikten over grote stukken bos toen de bisschop zijn greep op de boeren verloor. Rondom Winterswijk bezaten op een gegeven moment circa 20 (scholte)families duizenden hectaren land. Nevenvorm van schout in Oost-Nederland. |
| Scholtegoed | Grote boerderij van een scholteboer in buurtschappen in de Achterhoek (bijvoorbeeld Tenkink, Scholtenhuis en Willink bij Ratum). |
| Schoorwal | Landtong die ontstaat door de zijdelingse verplaatsing en afzetting van zand in een bocht van de zee en op deze manier een inham geheel of gedeeltelijk afsluit, meestal evenwijdig aan de kust; indien het de verbinding is tussen een eiland en de vaste wal is het een tombola (zie aldaar) |
| Schootsveld | Strook grond rondom een vestingstad, werd vrijgehouden van bebouwing en beplanting om de belegerende vijand effectief te kunnen bestoken. |
| Schor [artikel] | Droogliggend deel van een plaat of een buitendijkse grond in Zeeland. Loopt alleen bij hoge vloed (springvloed) onder. In Zuid-Holland gors en in het Waddengebied kwelder genoemd. |
| Schot, -schot | Hoge beboste zandgrond (rug), vaak temidden van lagere gronden of moerassen (b.v. Oirschot). Zie ook -haar. |
| Schotbalk(en)sluis | Stuw dienende om water te keren d.m.v. balken die in sponningen worden geplaatst, veelal toegepast als inundatiesluis. Bij toepassing van een dubbele rij balken kan de tussengelegen ruimte worden gevuld met grond. Indien de sluis tussengelegen scheidingsmuren (penanten) heeft wordt gesproken van een penantensluis. Zie ook damsluis en sluis. |
| Schouw | Geregeld terugkerende controle op de naleving van de aan de onderhoudsplichtigen opgelegde taak tot het in stand houden van de waterstaatswerken. |
| Schouwpad | Openbaar toegankelijk pad langs een watergang waar een vertegenwoordiger van het waterschap de schouw (inspectie van de sloten) kan uitvoeren. |
| Schouwsloot | Sloot die geen poldersloot is, wat wil zeggen dat de sloot niet door het waterschap wordt onderhouden, maar door de eigenaren van het land rond de sloot. Elk najaar controleert het waterschap of de sloot goed schoon is. Dit noemt men schouwen en de sloot heet daarom schouwsloot. |
| Schraalland | Onbemest hooi- of weideland |
| Schulpstet | Overlaadplaats voor grondstoffen voor de kalkindustrie (schelpen) tussen schulpweg en schulpvaart. De naam stet voor een laad- of losplaats komt in meerdere dorpen in Noord-Holland voor. |
| Schulpvaart | Watergang voor het vervoer van grondstoffen voor de kalkindustrie (schelpen). Zie schulpweg. |
| Schulpweg | Weg die diende voor het vervoer van grondstoffen voor de kalkindustrie (schelpen) van het strand naar een overlaadplaats (schulpstet). Vervolgens werden de schelpen via een schulpvaart naar de kalkovens vervoerd. In Noord-Holland was de schelpenvisserij lange tijd een belangrijke bedrijfstak. |
| Schutlaken | Dwarsdam met afsluitbare koker in weteringen. |
| Schutsluis | Sluis met dubbele sluisdeuren om schepen over te brengen van het ene naar het andere waterniveau. Een schutsluis bestaat uit een bovenhoofd, dat aansluit op het hogere waterniveau, en een benedenhoofd, dat aansluit op het lagere waterniveau aan de andere kant van de schutsluis. De ruimte tussen de twee sluisdeuren wordt kolk genoemd. Ook wel sas (in Zeeland) en verlaat genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Sedimentatie | Afzetting. |
| Seizoensberging | Wordt ook wel retentie genoemd. In de winter ontstaat een groot wateroverschot. Dit water kan worden gebruikt om tekorten in de zomer op te vangen. Retentie kan met horizontale en verticale berging. Het is geen reservering van ruimte, de ruimte wordt permanent gebruikt om een beter evenwicht tussen wateroverschot en watertekort over het jaar heen te verkrijgen. Zie ook verticale berging, horizontale berging en piekberging. |
| Selnering | Zie moernering. |
| Sennhütte | Zie boo. |
| Sikkelduin | Duin in een langgerekte halvemaanvorm waarvan de punten van de wind af wijzen. Wordt ook wel blinkerd, paraboolduin of barchaan genoemd. |
| Singel | Met kreupelhout of bomen begroeide wal langs een akker. |
| Singelgracht | Water rond een binnenstad als een overblijfsel van de verdedigingsgracht van een vestingstad. Een singel heeft, in tegenstelling tot grachten, doorgaans geen gemetselde kademuren, maar schuin aflopende walkanten. |
| Sjabbatpaal, sjabbatkastje | Onderdeel van een joodse symbolische afsluiting van een stad, de eroew. In Nederland heeft momenteel alleen Amsterdam een eroev. Sjabbatpalen vindt met o.a. aan de Amstel, nabij de Kalfjeslaan en op de Utrechtsebrug. |
| Slag | Duinweg |
| Slagenlandschap | Gebied waar het cultuurland vanuit een natuurlijk of gegraven water of weg in stroken is verdeeld, vaak bij cope-ontginningen met langgerekte dorpen |
| Slagturven | Natte veenontginning met behulp van de baggerbeugel (sinds 1530), hierdoor onstond een landschap van trekgaten en legakkers. Wordt ook wel uitvenen of baggeren genoemd. Zie natte vervening. |
| Slangenmuur | Slingerende muur op een landgoed waar, in de nissen, fruitbomen tegenaan groeien. Deze nissen zijn warmer en beschut tegen de wind. In Nederland kunnen zelfs vijgen en abrikozen op deze manier gekweekt worden. Wordt ook wel fruitmuur, slingermuur, leimuur, zige zage, crinkle crankle, abrikozenmuur of mur à retranchement genoemd. |
| Slaper(dijk) | Binnendijk die geen dienst heeft zolang de wakerdijk het water keert, in Zeeland ook wel inlaagdijk genoemd. Soms ligt achter de slaperdijk ook nog een dromerdijk. Zie verder bij dijken. |
| Slenk (1) | Schol die langs breuken in de aardkorst naar beneden is geschoven en langzamerhand opgevuld is met erosieproducten van rivieren die er doorheen stromen. Een voorbeeld is de Centrale Slenk waar o.a. Dommel en Aa doorheenstromen. Het tegenovergestelde van een slenk is een horst. |
| Slenk (2) | Geul in strand of schor. |
| Slenk (3) | Ondiepe kom in het veen. |
| Slib | Het percentage slib bepaald de grondsoort:
- zand: < 10 % slib;
- lichte zavel: 10 – 20 % slib;
- zavel: 20 – 30 % slib;
- zware zavel: 30 – 40 % slib;
- klei: > 40 % slib.
|
| Slietenzolder | Zolder boven boerderij of schuur waar boomstammetjes (slieten) dwars op de balken liggen. Hier wordt hooi of ongedorst graan bewaard. |
| Slik | Modder, slib. |
| Slikken | Buitendijks veelal onbegroeide drassige gronden die alleen bij eb droogvallen (Zuidwest-Nederland), ook wel plaat genoemd |
| Slingermuur | Zie slangenmuur. |
| Slingertuin | Als gevolg van de welstand werden in de 19e eeuw in het Groningse Oldambt veel monumentale boerderijen gebouwd. Voor deze boerderijen werden tuinen in Engelse landschapsstijl aangelegd. Deze slingertuinen worden ook wel 'slingertun' of 'Inghelse tun' genoemd. Veel slingertuinen zijn verdwenen, 28 zijn er hersteld. |
| Sloewe | In de branding liggende bedding, die bij laag water veelal droog staat (Zeeland) |
| Sloot | Gegraven water, qua breedte tussen greppel en gracht in. Typen sloot zijn ondere poldersloot en schouwsloot. |
| Sluis | Beweegbare waterkering in een kanaal of rivier, die het mogelijk maakt dat schepen hoogteverschillen kunnen overbruggen of dat de waterstand aan één kant van de sluis op peil blijft. Zie ook de diverse typen sluizen:
- Duikersluis, een sluis in een duiker onder bijvoorbeeld een weg om te waterstand aan weerszijden te reguleren.
- Inlaatsluis, een sluis om water een gebied binnen te laten stromen.
- Inundatiesluis, een sluis om water een gebied binnen te laten stromen.
- Keersluis, een enkele sluis of stuw die een hogere waterstand bij dokken of havens tegenhoudt.
- Plofsluis, een sluis als onderdeel van een vestingwerk die bij oorlogsdreiging een vaarweg kan afsluiten.
- Pomp, een afwateringssluis.
- Sas, de Zeeuwse naam voor een schutsluis.
- Schutsluis, een sluis met dubbele sluisdeuren om schepen over te brengen van het ene naar het andere waterniveau.
- Spuisluis, een uitwateringssluis.
- Suatiesluis, een uitwateringssluis in getijdengebied die dient voor afvoer van overtollig water, waarbij de waterdruk aan weerszijden bepaalt of de klep open of dicht staat.
- Uitlaatsluis, een sluis om water een gebied uit te laten stromen.
- Uitwateringssluis, een sluis waarmee een teveel aan water op een lager gelegen buitenwater kan worden geloosd.
- Vallaat, de Noord-Nederlandse naam voor een kleine schutsluis in een kanaal.
- Verlaat, een kleine schutsluis in een kanaal.
- Waaiersluis, een sluis met sluisdeuren in de vorm van een ellipssector, waardoor ze bij elke waterstand gemakkelijk te openen zijn.
- Zijl, de Noord-Nederlandse naam voor een uitwateringssluis.
Zie ook stuw met de ondersoorten schotbalkensluis, penantensluis en damsluis. |
| Smeltwaterrug | Langgerekte rug ontstaan bij het smelten van de ijskap (tijdens de één na laatste ijstijd, het Saalien). Eerder waren spleten en tunnels in het ijs opgevuld met zand en grind, na het verdwijnen van het ijs bleven deze opvullingen achter als heuvels. Een smeltwaterrug wordt ook wel eens aangeduid met de Scandinavische naam osar. |
| Smeltwaterterras | Terras ontstaan uit een stuwmeer dat ontstond bij het smelten van ijskappen (tijdens de één na laatste ijstijd, het Saalien). Vanaf de hellingen van de stuwwal spoelde een grote hoeveelheid zand en grind het stuwmeer in en zette aan de rand daarvan zandterrassen af. Omdat het waterpeil van het meer in de loop van de tijd sterk wisselde, is de hoogte van deze smeltwaterterrassen heel verschillend. Smeltwaterterrassen hebben een hobbelig reliëf door het voorkomen van smeltwaterruggen en doodijsgaten. Het grootste smeltwaterterras in Nederland ligt rond Elspeet op de Veluwe. Een smeltwaterterras wordt ook wel eens aangeduid met de Scandinavische naam kame of kame-terras. |
| Smeltwatervlakte | Vlakte nabij stuwwal waar het landijs nooit gekomen is en dus nooit opgestuwd is, bijvoorbeeld de vlakte tussen Wolfheze en Heelsum. |
| Snijgriend | Zie griend |
| Spaarbekken | Natuurlijke of door de mens aangelegde plaats om water tijdelijk op te slaan voor later gebruik als drinkwater (bijvoorbeeld in de Biesbosch), voor irrigatie of om waterkracht mee op te wekken. |
| Spaartelgenbos | Uitgegroeid hakhout. |
| Speet | Omgespitte grond (b.v. Nunspeet). |
| Spekdam | Dam tussen twee ingravingen, bijvoorbeeld in een dijkput of tussen twee dijkputten. In dat laastste geval met als doel altijd over dijkmateriaal te beschikken en aanslibbing in de dijkputten te bevorderen. Wordt ook wel paap genoemd. |
| Sperfort | Fort ter verdediging van bruggen, wegen en spoorwegen, enige forten die in de 19e eeuw nog werden gebouwd, o.a. Pannerden en Westervoort |
| Spieker | Middeleeuwse opslagplaats van graan en andere producten, zoals rogge, gerst, haver, tuinbonen, erwten en vlas. Boeren in die tijd betaalden hun belastingen aan de heerser veelal in natura. In de spieker werden de 'belastingen' bewaard. Het woord spieker is afkomstig van het Latijnse woord 'spica', wat aar betekent. Vergelijk het woord spieker ook met het Duitse 'Speicher', bewaarplaats. Meestal waren het houten gebouwtjes op palen, soms met een stenen fundament. |
| Spietoren | Kleine uitkijk- of wachttoren, uitgekraagd op de hoek van een walmuur, de saillantsaillant van een bastion of versterkt huis. Later ook uitsluitend als versiering toegepast. Wordt ook wel arkel, peperbus of sentinel genoemd. |
| Spijk | Schiereiland in een rivier |
| Spijt | Heide. |
| Spijssloot | Sloot die het water van een hoger gelegen kanaal naar een vloeiweide toevoert. |
| Spinnekop | Klein type wipmolen uit Friesland. In Noord-Holland weidemolen of aanbrengertje genoemd. |
| Spitkeet | Plaggenhut in de Friese wouden (spit betekent plag in het Fries), maakte later vaak plaats voor een wâldhúske. |
| Spoorkolk | Waterinnamepunt voor stoomlocomotieven. |
| Spoeldijk | Dijkvak waarvan het dijklichaam bestaat uit zand en is bekleed met een dunne laag klei. Bij wateroverlast konden deze dijkvakken snel wegspoelen en als inlaat fungeren voor het afleiden van overtollig water. |
| Spoelzandwaaier | Zie sandr. |
| Spreng, sprengebeek | Kunstmatige beek waar ondergronds water als kwel (vanuit schijngrondwaterspiegels) naar de oppervlakte komt, voornamelijk aan de oost- en zuidrand van de Veluwe. Bij een spreng is sprake van een:
- Drainerend deel: Dit is het deel waar de beek water onttrekt aan zijn omgeving (bovenloop). In dit deel stroomt de beek over een zandbodem (eventueel met bladlaag die het water minder snel doet stromen.
- Infiltrerend deel: Dit is het deel waar de beek water verliest aan zijn omgeving. De spreng stroomt hier over een leemlaag. Het drassige land beneden de beek wordt 'beeklek' genoemd.
Vanaf de 16e eeuw gegraven voor o.a. olie-, koren- en later papiermolens. Midden 18e eeuw stonden er 170 papiermolens aan de Veluwerand. De beekloop tussen de sprengkop en de molen liet men geleidelijker aflopen dan het dal zelf (als een opgeleide beek), om hoogte te winnen. Het water werd voor een molen vaak 's nachts 'gespaard' in een (molen)vijver. Indien het verval voldoende is, kan er in de watermolen een bovenslagrad gebruikt worden, anders een onderslagrad. Door de aanwezigheid van schoon water bleef de papierfabricage ook na het buitendienststellen van de papiermolens bestaan aan de Veluwerand (Renkum). De Veldhuizer Spreng tussen Loenen en Beekbergen is aangelegd om het Apeldoorns Kanaal van water te voorzien. Ook zijn er sprengen 'geslagen' om waterwerken in parken te kunnen aanleggen. Er zijn u nog ongeveer 50 sprengen over, aan de Veluwerand (Heelsum, Renkum) maar ook in het Montferland en bij Zeist. |
| Sprengkop | Gegraven, trechtervormig gat van een paar meter diep tot onder de natuurlijke grondwaterspiegel, beginpunt van een spreng. Een sprengkop werd gegraven op plaatsen waar kwel voorkwam of waar men onder meer door plantengroei verwachtte dat het grondwater zich dicht onder de oppervlakte bevond. Het water komt van ondergrondse lagen die op de Veluwe van 0 tot 500 jaar oud zijn. Van de neerslag verdampt 65%, de rest komt in de bodem. |
| Springvloed | Extra hoge vloed als gevolg van het samenvallen van de aantrekkingskracht van maan en zon. |
| Spuisluis | Uitwateringssluis waarmee overtollig water geloosd kan worden op een lager gelegen buitenwater. Een spuisluis is vaak een combinatie van een inlaatsluis en een uitlaatsluis. In Noord-Nederland ook zijl genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Stade | Oever |
| Stadsdrek | Vuil van de straten en inhoud van de emmers waar de stadsbewoners hun behoefte op deden. Werd veel gebruikt als mest op het platteland. |
| Stadsduct | Extra breed viaduct met niet alleen een weg, maar ook fietspaden, wandelpaden en een brede groenstrook. Over de A16 bij Breda zijn twee stadsducten aangelegd om te voorkomen dat de snelweg de stad scheidt. |
| Stadsmeierrecht | Veenkoloniale vorm van beklemrecht |
| Stadsrechten | Om het ontstaan van steden te bevorderen verleenden edelen vanaf de 10e eeuw privileges aan nederzettingen. Vanaf het moment dat deze privileges in één keer in een totaalpakket werden aangeboden, wordt gesproken van stadsrechten. Stadrechten maakten van een nederzetting een aantrekkelijke vestigingsplaats voor kooplieden. Van de economische bloei die hiervan het beoogde resultaat was, profiteerde de edelen door het heffen van belastingen. Stadsrechten hielden in:
- Privileges
- stadsmuren (recht om een muur rondom de nederzetting te bouwen);
- marktrecht (recht om een markt te houden);
- tolrecht (recht om tol te heffen);
- Vrijheden
- persoonlijke vrijheid (inwoners waren niet langer horig aan de heer);
- Bestuur
- stadsbestuur (de gegoede burgerij kon soms zelf de bestuurders kiezen die in de stadsraad zitting moesten nemen).
Tussen circa 1068 (Staveren) en 1586 (Willemstad) krijgen ruim 190 plaatsen in huidig Nederland stadsrechten. Ook na de landsheerlijke periode blijft het onderscheid tussen stad en dorp van belang. In de zeventiende en achttiende eeuw maken de stemhebbende steden via hun positie in de Staten van de zeven Provinciën in feite de dienst uit in de Republiek. In en na de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) wordt nog steeds bestuursrechtelijk onderscheid gemaakt tussen steden en dorpen. De laatste verheffing tot 'stad' betreft Delfshaven in 1825. Pas door de invoering van de Gemeentewet van Thorbecke in 1851 verviel het onderscheid tussen steden en dorpen; sindsdien is slechts sprake van gemeenten. |
| Ständiger Ausbau | Type bunker, zie aldaar. |
| Standerdmolen | Oudste type molen (korenmolen), molenhuis draait op een spil |
| Standvink | Stijl midden in een ruimte, die ene balk ondersteunt en hiermee met schoren verbonden is. |
| State (1), stoate | Groningse boerderij, ook wel heerd geheten. In Friesland heten veel boerderijen plaats of plaets, in Noord-Holland komt de naam hofstede voor. |
| State (2) | Friese edelmanswoning waarbij de nadruk meer op adellijke aanwezigheid ligt dan bij de stins, waarbij de nadruk meer op de verdedigende functie ligt. Vergelijkbaar met een havezate in Oost-Nederland, een borg in Groningen en een ridderhofstede in Utrecht. Zie ook kasteel. |
| -stede | Woonplaats |
| Steekturf | Veenlaag in hoogveengebieden die als brandstof geschikt is. Wordt ook zwarte turf genoemd. Zie droge vervening. Zie droge vervening. |
| Steenberg | Zie mijnberg. |
| Stegel | Draaihekje in Limburg om voetgangers doorgang te verlenen door gebieden waar vee wordt geweid. Zie ook overstap. |
| Steilrand | Zie graft. |
| Stekelvarken | Populaire benaming voor een licht soort betonnen V.I.S.-kazemat (S-type), voorzien van drie of meer schietgaten met overlappende schootsvelden. |
| Stelberg | Andere naam voor een holle stelle. |
| Stelle | Kunstmatige heuvel in het schorrengebied van Zeeland. Gebruikt als schuilplaats voor de herder en zijn kudde schapen bij hoog water. Soms staan er schaapskooien op de stelle, zoals in het Verdronken Land van Saeftinge. Als er ook een drinkput in de stelle aanwezig is spreekt men van een hollestelle of stelberg. Een herder die hun kudde buitendijks liet grazen, werd stellenaar genoemd. |
| Stellingmolen | Hoge molen (korenmolen) met een plankier halverwege waar vanaf de molen bediend wordt, vaak molens in de bebouwde kom die alleen als ze erg hoog zijn voldoende wind kunnen vangen |
| Steltenberg | Hooiberg met op enige hoogte boven de grond een tasvloer (balklaag met planken), waarbovenop het hooi opgeslagen ('getast') wordt. Afhankelijk van de hoogte waarop de tasvloer ligt, kan de ruimte eronder worden benut als bergruimte. Veelal in Twente. |
| Stenderkastmolen | Eerste type windmolen in Nederland, een hoog type standerdmolen op een stellage die geheel op de wind gedraaid kan worden. Er is er nog één overgebleven, in de omgeving van Enschede (Wissink's Möl). |
| Sterrenbos | Bos of park dat doorsneden wordt door straalsgewijze van een middelpunt uitgaande lanen. |
| Stiepel | Uitneembare middenstijl in de niendeur van een Oost-Nederlandse boerderij. Zie ook stiepelteken. |
| Stiepelteken | Ingekerfde symbolische decoratie op de stiepel of uitneembare middenstijl in de niendeur van een Oost-Nederlandse boerderij. |
| Stins | Versterkte adellijke woning in Friesland, betekent in het Fries 'stenen huis', zie ook stinswier. Verschilt met een eveneens Friese state waarbij de nadruk meer op adellijke aanwezigheid ligt. Vergelijkbaar met een havezate in Oost-Nederland, een borg in Groningen en een ridderhofstede in Utrecht. Zie ook kasteel. |
| Stinsenflora | Thans in het wild groeiende planten en bloemen die ooit zijn aangevoerd, vaak te vinden in de buurt van een buitenplaats. |
| Stinswier | Friese hege wier waar een stins op heeft gestaan. |
| Stobbenwal | Uit kluiten van gerooide bomen bestaande wal, aangelegd onder een viaduct. Geeft goede dekkingsmogelijkheden voor dieren, zie ook faunapassage. |
| Stobbenveen | Bij het afvenen (klunen) van de laatste rest hoogveen kwam de steker vaak in aanraking met boomstronken, stobben. Een deel van het veen waar de veenlaag niet zo dik was dankt daaraan zijn naam. Zie droge vervening. |
| Stoeken | Zodanig opgestapelde turven (6-8 stuks) in hoogveengebieden dat de wind de turven goed kon drogen. Zie droge vervening. |
| Stokkenbrug | Zie knuppelpad. |
| Stolpschuur | Schuur in de vorm van een stolp. |
| Stootoever | De buitenbocht van een rivier of beek. Aan de stootoever stroomt het water snel. Het snelstromende water neemt grond mee. Tegenovergestelde van glijoever. |
| Stormvloed | Extreem hoge vloed als gevolg van het samenvallen van springvloed in combinatie met een stormachtige Noordwesten wind (watersnoodramp van 1953) |
| Stormvloedkering | Beweegbare constructie in een normaal open zeearm of riviermonding, die gesloten kan worden bij stormvloed e.d. om de achterliggende dijken te beschermen tegen een te zware belasting. In Nederland zijn vooral de stormvloedkeringen in de Oosterschelde en den Nieuwe Waterweg bekend. |
| Straatspoor | Spoor met extra flens, zodat de bestrating niet tegen de rails ligt. Zie ook veldspoor. |
| Straatweg | Geplaveide weg, vanaf de 18e eeuw aangelegd tussen (middel)grote steden. |
| Strandhaak | Ombuiging aan het eind van een schoorwal, ook wel haakwal genoemd |
| Strandhoofd | Stenen dwarsdam langs de kust die het langstransport verminderd en daarmee het strand beschermt. |
| Strandpolder | Een door de natuur zelf (water en wind) ontwikkelde polder, aan weerszijden begrensd door duinen. Het zand op de kleilaag is weggestoven, waardoor de klei in cultuur kon worden gebracht (Zeeland). |
| Strandwal | In het holoceen gevormde zandbank, evenwijdig aan de huidige kust, die bij normale getijden boven water uitstak. Hierop hebben zich de oude duinen gevormd. Strandwallen zijn nu vaak nog te zien als lage en langgerekte zandruggen. Haarlem en Alkmaar zijn gebouwd op oude strandwallen, de laatste onbebouwde is die van Spaarnwoude en is nu een aardkundig monument. Strandwallen komen ook voor langs de voormalige Zuiderzee. |
| Strang | Dode rivierarm of nevengeul van een rivier binnen een uiterwaard. Ze komen voor langs de Rijn en Maas takken in Nederland, en spelen een gunstige rol voor het waterbergend vermogen bij hoog water. Het zijn veelal half-dichtgeslibde restanten van voormalige lopen van de rivieren binnen de uiterwaard, de meeste strangen waren in de middeleeuwen hoofdgeulen voor de rivier. |
| Streek | Lange rechte straat, o.a. op Schiermonnikoog. |
| Streekdorp | Zie lintbebouwing |
| Strijkmolen | Watermolen met een zeer geringe opvoerhoogte, die het water als het ware 'wegstrijkt' van de ene naar de andere boezem. De molen heeft zelf geen functie als poldermolen, hoewel de constructie ervan gelijk is. |
| Strokenverkaveling | Verdeling van een stuk grond in meer of minder regelmatige lange stroken. Perceelsvorm die hoort bij het slagenlandschap. Zie ook andere typen verkaveling |
| Stroomgebied | Een gebied vanwaar al het over het oppervlak stromende water via een reeks stromen, rivieren en/of meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt. |
| Stroomrug | Relatief hooggelegen strook in een riviervlakte, bestaande uit een opgevulde verlaten rivierloop en de daarbij behorende oeverwallen. De grond op stroomruggen bestaat uit lichte rivierklei. In het verleden zijn onder meer een aantal nederzettingen en castella gebouwd op de hoger gelegen stroomruggen. In Nederland kent men daarvan voorbeelden in de provincie Utrecht, Kapel-Avezaath, Kerkwijk en Kesteren. De oude nederzettingen op de hoger gelegen stroomrug vertonen soms een lintbebouwing. Zie ook komgronden. |
| Strubben | Laag knoestig geboomte ontstaan op plaatsen waar veel hout als geriefhout werd gekapt en het jonge eikenhakhout door schapen werd aangevreten. Zie ook koebos en eikengeriefhout. |
| Strubbenbos | Kleine en vaak eeuwenoude bossen rond esdorpen. Hadden een functie als hakhoutbos, maar ook als buffer naar de heide, om te voorkomen dat de schapen de bij het dorp gelegen essen opliepen. Door de aanvraat van schapen konden de strubbenbosjes echter niet uitgroeien tot opgaand bos en bleven ze beperkt tot strubben, struikachtige bomen. |
| Struweelheg | Hooguit een keer in meerdere jaren geschoren of geknipte of afgezette lijnvormige aanplant van (vrij) dicht opeen geplaatste struiken. Deze heggen komen vooral vrijstaand in het landschap voor, bijvoorbeeld tussen akkers. Ze kunnen meerdere meters hoog en breed worden. In feite wordt er een soort hakhoutbeheer op uitgeoefend. |
| Struweelzone | Zie duinen. |
| Struweelboszone | Zie duinen. |
| Stuifdijk | Langs een natuurlijke hindernis gevormde duin. |
| Stuifzand(gebied), stuifduinen | Na de laatste ijstijd als gevolg van de opeenhoping van verstoven dekzand ontstaan reliëfrijk gebied. Vaak heeft de mens verstuiving in gang gezet door de grond te intensief te gebruiken. Stuifzand kan actief of vastgelegd zijn. Nederland is het enige land in Europa waar nog uitgestrekte stuifduinen voorkomen. |
| Stuw | Waterbouwkundige constructie (beweegbare klep) waarmee in de loop van een beek of een rivier wordt ingegrepen om de waterspiegel achter de stuw te verhogen. In rivieren worden stuwen vooral gebouwd om in droge tijden toch een voldoende diepte voor de scheepvaart te behouden. Sommige stuwen hebben één vast peil, dan noemen we het ook wel een drempel. Men spreekt van een stuwdam als er sprake is van een grote vaste stuw, die meestal een geheel dal afsluit. Zie ook schotbalkensluis, penantensluis, damsluis en sluis. |
| Stuwwal | Opgestuwde rug uit het Saalien (de één na laatste ijstijd die 180.000 jaar geleden begon). De stuwwallen liggen langs de HUN lijn (de lijn Haarlem - Utrecht - Nijmegen, de uiterste grens van het landijs): Het Gooi, de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en de versnipperde kleinere stuwwallen in Twente en bij Nijmegen. De stuwwallen werden vanuit het noorden opgestuwd en vanuit het zuiden aangevuld met materiaal dat door rivieren werd aangevoerd, de laagten tussen de stuwwallen (Gelderse Vallei, IJsselvallei) werden gedurende de laatste ijstijd (Weichselien) opgevuld met dekzand. De Torenberg ten noordwesten van Apeldoorn is met 107 meter de hoogste stuwwal van Nederland. Zie ook dekzandrug. |
| Stuwwalboog | Overgebleven opgestuwd zand na het smelten van een ijslob van een gletscher. |
| Suatiesluis | Uitwateringssluis in getijdengebied die dient voor afvoer van overtollig water, waarbij de waterdruk aan weerszijden bepaalt of de klep open of dicht staat. Ook wel 'Zelfsuerende sluis' genoemd. |
| Successie | Natuurlijke vegetatieontwikkeling van bijvoorbeeld kale grond tot bos. |
| [begin pagina] | |
| Tabakschuur | Schuren waar tabak te drogen werd gehangen, komen nog voor in Amerongen, ooit met Veenendaal, Rhenen en Renkum het middelpunt van de tabaksteelt in Nederland. Hoogtepunt van de tabaksteelt lag in de 18e eeuw, rond 1856 was er 2.130 hectare tabaksteelt in de Gelderse Vallei en de Betuwe. In de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een opleving. |
| Takkenril | Min of meer gevlochten afscheiding van dood (snoei)hout. Een dergelijke afscheiding van levend hout heet een heg of haag. |
| Tang(e) | Kleine es in het Groningse Westerwolde, zandrug in hoogveengebied (b.v. Bourtange). |
| Tankval | Brede, door tanks niet te nemen, v-vormige watergang, onderdeel van de door de nazi’s aangelegde Atlantikwall langs de Nederlandse kust. Zie ook anti-tankgracht. |
| Tasruimte | Ruimte in de boerderij om de oogst op te slaan. |
| TBC-huisje | Klein houten huisje met veel glas dat bestemd was voor tubercolosepatiënten. Het huisje was bevestigd op een metalen kruis zodat het met de zon meegedraaid kon worden. |
| Tenaille | Onderdeel van een vestingwerk, aarden wal onder de courtine en de aangrenzende flanken. Deze moest dit gedeelte van de omwalling beschermen tegen vijandelijk vuur. De tenaille komt voor bij versterkingen die volgens het verbeterd Oud-Nederlands stelsel zijn aangelegd. |
| Tenure | Zie hoeve |
| Terp [afbeelding] | Opgeworpen hoogte (met mest, zoden en huisafval) in dijkloos land waarop men woont of die als vluchtheuvel dient. In Friesland gemiddeld drie meter hoog, al zijn er ook terpen met een hoogte van 10 meter. Een ronde weg om de terp heen waar de boerderijen aan liggen wordt ossenweg of ossengang genoemd. Meerdere huisterpen zijn vaak aaneengegroeid tot een terpdorp. Terpen zijn opgeworden tussen 500 voor Christus en 1300 na Christus (toen de eerste dijken werden aangelegd). Aan het begin van de 20e eeuw werden veel terpen afgegraven. De vrijkomende grond (terpaarde) werd onder andere gebruikt ter bemesting van de ontginningen in Drenthe. Voor deze tijd waren een aantal terpen in Drenthe te vinden. Hogebeintum heeft de hoogste terp van Nederland: 8,80 meter boven NAP. Het begrip 'terp' wordt vooral in Frisland en Zeeland gebruikt, elders worden de begrippen ward, wierde (in Groningen), warft (Noord-Duitsland), hil, werd of woerd (in het rivierengebied) gebruikt. Het woord terp is van oorsprong het Friese woord voor dorp. Plaatsen die voortgekomen zijn uit een terp hebben in Friesland vaak de uitgang -um (Dokkum, Kollum, Hogebeintum). Ook komt de uitgang -werd vaak voor in Friesland en Groningen (Wieuwerd, Sauwerd, maar ook Leeuwarden, dat ontstaan is uit verschillende terpen). Ook komt de uitgang -terp voor, zij het minder frequent dan de eerder genoemden. In Noord-Friesland komen vooral de uitgangen -wort en -wörden voor. Een terp wordt vaak verward met een vliedberg (Zeeland) of hege wier (Frisland), maar is duidelijk iets anders. |
| Terpdorp | Dorpje ontstaan uit aan elkaar gegroeide huisterpen. Het middengedeelte van een terpdorp, waar de kerk op ligt, is opgevuld met kwelderzoden. |
| Terreplein | Binnenruimte in een vol bastion. |
| Tetraëder | Vechtwagenhindernis van beton of profielstaal, met de vorm van een regelmatig viervlak; veelal groepsgewijs toegepast als verplaatsbare afsluiting van doorgangen en daartoe voorzien van een hijsoog. Zie ook versperring. | Theekoepel | Meestal achthoekig gebouwtje met een koepelvormig dak en veel ramen. Het is een typisch Nederlands verschijnsel en staat vaak op buitenplaatsen, als statussymbool. De theekoepel is in de regel zo geplaatst dat er zicht is op het landhuis en de omgeving, meestal een rivier. |
| Tichelgat | Gat waar klei gewonnen is voor de steenindustrie, ook wel kleiput genoemd. |
| Tichelwerk | Steenbakkerij (rivierengebied en Noord-Nederland) |
| Tiend- | Betrekking hebbend op de ‘tiende’, een belasting (meestal een tiende deel van de opbrengst) die een landeigenaar van zijn pachters verlangde; afgeschaft bij de tiendwet van 1909 |
| Tiendschuur | Oude graanschuur (vanaf 13e eeuw), op landgoed of bij kasteel om tienden in op te slaan (het deel van de oogst dat boeren moesten afstaan) |
| Tiendweg | Veelal onverharde weg op een kade in het rivierengebied met aan weerszijden waterlopen. De wegen liggen dwars op de perceelrichting en evenwijdig aan de rivier waar de ontginning begonnen is. Er zijn nu ongeveer 55 historische tiendwegen bekend in Nederland, vooral in het rivierengebied van Midden-Nederland (Lopiker-, Alblasser- en Krimpenerwaard). Ze liggen bijna allemaal binnen een kilometer afstand van een rivier en lopen daar parallel aan. Langs de Hollandse IJssel liggen er bijvoorbeeld 13, langs de Lek 10. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat tiendwegen een functie in de waterbeheersing hebben gehad, vooral in gebieden waar de afwatering problematisch werd door inklinking van de veengrond. Daarmee is de aanleg van de meeste tiendwegen te plaatsen in de tweede helft van de Middeleeuwen, tussen 1100 en 1500. Ook in veengebieden komen tiendwegen voor, in dat geval veelal aan het einde van de eerste ontginning. De naam tiendweg zou volgens sommigen afgeleid zijn van de belasting tienden, die werd geheven op de oogst. Anderen zoeken de verklaring in het tiën of trekken van schepen of karren op de weg of de weteringen of in het tiën (wegstromen) van water. Weer anderen verklaren de naam uit het tiendhout (of griendhout) dat op de weg of kade stond of uit de takken (tienden) die zijn gebruikt bij de aanleg van de weg. |
| Til | Brug waarover paarden die een trekschuit trok naar de andere kant van een trekvaart geleid werden. Wordt ook paardentil genoemd. |
| Tjasker | Klein houten waterwindmolentje, vaak gebruikt om veenputten droog te malen, kan maximaal 10 hectare bemalen. Een boktjasker heeft een bok die gekruid kan worden op een ringvormig, houten kruipad. Eén van de vier overgebleven boktjaskers in Nederland staat in het Openluchtmuseum in Arnhem. |
| Tobroek | Betonnen schuttersput of eenmansbunker van oorspronkelijk Italiaans / Duits type. Ook wel een open achthoekige uitbouw aan een bunker die diende als observatiepost of als opstelling voor een wapen. Genoemd naar de Lybische stad Tobroek. |
| Tocht | Verbindingssloot tussen de poldersloten (of kavel- of heinsloten) en de poldervaart in droogmakerijen. Ook wel zeeg genoemd. |
| Toemaak | Mengsel van bagger uit de sloten en stalmest dat op het land werd opgebracht om de veengrond te verbeteren |
| Tol | Plaats langs de weg waar tol betaald moest worden, soms als belasting aan de landsheer in wiens gebied de tol lag, soms voor de aanleg en verbetering van de wegen. In 1900 werd de Rijkstol afgeschaft, andere tollen bleven langer bestaan, soms tot na de Tweede Wereldoorlog. Tolhuisjes zijn nog op veel plaatsen te zien. |
| Tombolo | Schoorwal die een eiland verbindt met het vaste land |
| Tonmolen [afbeelding] | Houten handmolentje om sloten of poldertjes met de hand droog te malen (o.a. Noord-Holland) |
| Tra | Open plek in het bos, brandgat. |
| Tra | Weg rond een malebos, een door markegenootschappen beheerd bos. Het (loof)bos werd met mate geëxploiteerd: Ieder jaar werd door de markegenoten vastgesteld hoeveel bomen gekapt mochten worden. Via de tra werden de gekapte bomen afgevoerd. |
| Trapakker | 18e Eeuwse enggronden met een trapsgewijs uiterlijk als gevolg van een bepaalde manier van bemesten en bewateren. In Ede worden nog trapakkers op de traditionele wijze bewerkt. |
| Travalje | Openlucht hoefsmidse, meestal een klein gebouwtje met schuin dak dat tegenover de smidse stond. Boeren konden hier snel de hoeven van hun paarden laten verwisselen. In Dreischot staat een travalje tegenover de kerk. |
| -trecht, -tricht | Vaart, krek, overgang, veer, van het Latijnse 'trajectum' (b.v. Utrecht, Maastricht) |
| Trekgat | Water tussen de legakkers in een nat verveningslandschap, ook wel weren of petgaten genoemd, zie ook slagturven |
| Trekvaart | Superieur 17e eeuws openbaar vervoersysteem in de lage delen van Nederland (Holland, Friesland en Groningen). De eerste Nederlandse trekvaart was de Haarlemmertrekvaart, tussen Amsterdam en Haarlem, die in 1634 was voltooid. Rond 1700 was het netwerk van Nederlandse trekvaarten op zijn hoogtepunt; er was toen zo'n 415 kilometer aangelegd. De trekschuiten werden voortgetrokken door paarden vanaf het naast de vaart gelegen jaagpad. Bij bochten stonden rolpalen waarlangs de treklijn van schepen getrokken kon worden. Op kruispunten stonden bruggen (tillen of kwakels) waar de paarden van jaagpad konden wisselen. Rond 1850 raakte met de opkomst van stoomschepen deze vervoersvorm in onbruik. |
| Trilveen | Op water drijvende (laag)veengrond die bij het betreden in een golfbeweging raakt, vaak in een dichtgegroeid trekgat. Als een stuk trilveen loslaat ontstaat er een drijftil, een drijvend eilandje. |
| Tuimeldijk | Lage dijk die zo ontworpen is dat bij een hoge waterstand overstromingen toegelaten kunnen worden. Zie verder bij dijken. |
| Tumulus | Grafheuvel, zie aldaar. |
| Turf | Gedroogd veen, goede brandstof. |
| Turfvaart | Gegraven kanaal in een gebied waar turf werd gewonnen. In Noord-Nederland ook wel wijk (hoofdvaart) en mond (zijvaart) genoemd. |
| Turfsteken | Het steken van veen in hoogveengebieden (boven de grondwaterspiegel). Wordt ook wel delven of afvenen genoemd. Zie droge vervening. |
| Tuun, tuin | Oorspronkelijk de omheining van een akkertje met takken van de wilg en hazelaar, later ging de benaming van de omheining over op het omsloten terrein. |
| Tuunheg | Heg geheel of gedeeltelijk bestaande uit dood hout, dat eens in de 3 tot 7 jaar dicht opeen in de grond of in een levende heg werd gestoken. |
| Tuunwal, tuinwal | Onbegroeide wal van opgestapelde gras- of heideplaggen. De wallen van ongeveer een meter hoog dienen als perceelafscheiding en zijn kenmerkend voor Texel (150 kilometer tuunwallen) en Wieringen, maar kwamen ook voor in het land van Vollenhove en in Gaasterland. Buiten Nederland zijn tuunwallen alleen in het Engelse Cornwall te vinden. Op Texel en Wieringen lieten de boeren tot dan toe schapen grazen op hun hoge, droge heuvels. Vanaf 1562 werden ze gedwongen hun heuvels in partjes op te delen. Het land werd verdeeld in akkers en weilanden. Om te voorkomen dat de schapen van het graan zouden eten werden graszoden tot muurtjes gestapeld. Zo ontstonden de tuunwallen. In de weidepercelen werden kolken (dobbendobben of drinkpoelen) gegraven. |
| [begin pagina] | |
| -um | Plaatsen die voortgekomen zijn uit een terp hebben in Friesland vaak de uitgang -um (Dokkum, Kollum, Hogebeintum). |
| Uilebord, oelebord, ûlebord | Klein driehoekig schot achter de windveren van het rieten dak waarin zich een luchtgat (oele) bevindt. Oele of ûle betekent in het Fries ook uil. Twee zwanen en een makelaar maken ook deel van het uilebord. Uileborden komen vooral voor in Friesland, Drenthe, Groningen en de Achterhoek. Makelaars ook in Noord - Holland. |
| Uiterwaard | Strook land langs een rivier tussen de hogere winterdijk en de lagere zomerdijk die bij een hoge waterstand onder water loopt. De uiterwaarden hebben verschillende functies. Allereerst vormen ze een waterbergingsgebied. Ten tweede is in de uiterwaarden delfstofwinning mogelijk. Vooral klei ten behoeve van de baksteenindustrie is vroeger veel gewonnen. Daarnaast hebben ze een belangrijke landbouwfunctie, omdat ze dienst doen als weiland en hooiland. Tegenwoordig komt de recreatieve functie van de uiterwaarden steeds meer naar voren, vooral de watersportmogelijkheden in de oude grindgaten. Door de grote variatie in flora en fauna hebben de uiterwaarden een grote natuurwaarde. |
| Uitgeloogde bodem | Gedegradeerde bodem, vaak een onomkeerbaar proces: ontstaan secundair bos |
| Uitlaatsluis | Sluis om water een gebied uit te laten stromen. Vaak kan het water via de sluis gewoon de polder verlaten, als het water in de boezem te hoog wordt, gaat de sluis vanzelf dicht door de druk van het water. Zie verder bij sluis. |
| Uitmijnen | Uitgraven van haai(ge)meeten, zie ook schurveling. |
| Uitspanning | Herberg of pleisterplaats met stalhouderij waar de paarden ‘uitgespannen’ konden worden. |
| Uittredeplaats | Onderbreking van een steile kade van een kanaal om wild de gelegenheid te geven het water uit te komen. |
| Uitvenen | Zie natte vervening. |
| Uitwateringssluis | Sluis waarmee een teveel aan water, direct of via een boezem, op een lager gelegen buitenwater (kanaal, rivier, zee) kan worden geloosd. De uitwateringssluis is vaak gebouwd in een dam of dijk. Zie verder bij sluis. |
| Urnenveld | Veld waar de urnen van de gecremeerde doden onder een grafheuvel werden bewaard (Late Bronstijd, 1100-500 v. Chr.) |
| [begin pagina] | |
| Vaaggrond | Bodem waarbij de bodemvorming te kort duurde voor een goede horizontontwikkeling |
| Vaarduiker | Duiker waar een maaiboot van het waterschap doorheen kan varen ten behoeve van het onderhoud aan de oevers, terijl de weg of het fietspad erbocven geen hoogteverschil kent. |
| Vaarpolder | Gebied waar de afzonderlijke percelen alleen per boot (tuindersvlet) kunnen worden bereikt. Boerderijen liggen hier aan zogenaamde opvaarten die uitkomen op de doorgaande watergangen of aan de voet van de dijk. Een voorbeeld van een vaarpolder was de polder Het Grootslag bij Enkhuizen. |
| Valge | Oud akkercomplex (Noord-Nederland), ook wel ees of ies (Groningen, b.v. Oostervalge) |
| Vallaat | Noord-Nederlandse naam voor een verlaat, een kleine schutsluis in een kanaal. Zie verder bij sluis. |
| Varkensruggetje | Hoge ronde akkers tussen diepe greppels. |
| Vate, vaete | Dorpsvijver naast de kerk, tevens drinkvijver voor het vee en reservoir voor de brandweer (Zuidwest Nederland, b.v. in Borssele en Kloetinge) |
| Veebocht | Omwald kamp waar het vee de nacht doorbrengt |
| Veedrift | Andere naam voor drift. |
| Veen | Opeenhoping van dode planten resten tijdens moerasachtige omstandigheden. Werd vroeger ook wel venn genoemd. Zie hoogveen en laagveen. |
| Veenbaan | Een met zand aangelegde weg in een (hoog)veengebied die breed genoeg is voor een paard met een wagen. Vanaf deze veenbanen werd het veen gestoken en vervoerd. Als het veen was vergraven, werd de weg een stukje verlegd. Hierdoor ontstond na verloop van tijd een stelsel evenwijdig aan elkaar lopende veenbanen. |
| Veebocht | In de vroege Middeleeuwen omwald stuk land op de zandgronden waar het vee ´s nachts bijeengedreven werd. Individuele vorm van de brink. |
| Veenbrug | Zie knuppelpad. |
| Veenbult, -koepel | Natuurlijke verhoging in het veenlandschap waar de eerste boeren relatief veilig waren bij overstromingen. Door het ontwateren van de veenlanden voor het gebruik van veengrond voor landbouw vanaf de Middeleeuwen, verdwenen door inklinking de meeste veenkoepels. Wordt ook wel veenbult genoemd. |
| Veenkade, veendijk | Secundaire waterkering (dijk) die minder dan twee meter boven het omringende maaiveld uitkomt. Hij is op veen gefundeerd en uit veen opgebouwd. Een veenkade of veendijk is vaak ontstaan door ontginning door middel van ontwatering van het aanliggende veengebied. In de boezem zakte het waterpeil een stuk minder, hier werd immers het water verzameld dat naar de op een nog hoger peil staande veenrivieren werd afgevoerd. Dit had tot gevolg dat een deel van de veengrond inzakte, namelijk het deel waar akkerbouw op werd gepleegd. Een ander deel van de polder, direct naast de boezem zakte niet, doordat hier het grondwaterpeil hoog bleef. Zo zijn uiteindelijk de veenkades ontstaan. |
| Veenkolonie | Nederzetting waarvan de ruimtelijke hoofdstructuur ten behoeve van de (droge) turfwinning is aangelegd. Met de aanduiding Veenkoloniën wordt meestal gedoeld op de streek in het oosten van Groningen en Drenthe. Hier lag het Bourtangermoeras dat vanaf omstreeks 1600 in cultuur werd gebracht. De oudste veenkoloniën in dit gebied (Kropswolde, Wildervank) liggen het dichtst bij de stad Groningen. De grootschalige vervening in Zuidoost-Drenthe begon pas vanaf 1850, nadat de eerste grote kanalen (Verlengde Hoogeveense Vaart en Oranjekanaal vanuit het westen en het Scholtenskanaal vanuit het noorden) waren gegraven. Het veen in Zuidoost-Drenthe bevatte een dikke bolsterlaag; deze werd voornamelijk fabrieksmatig verwerkt tot turfstrooisel dat door boeren en tuinders werd gebruikt als kunstmest. Veenkoloniën zijn ook buiten dit gebied te vinden: in Zuid-Drenthe en Noord-Overijssel (Hoogeveen, Dedemsvaart), in Friesland: Heerenveen en een tweetal in de Peel: Helenaveen en Griendtsveen. De meeste veenkoloniën worden gekenmerkt door hun langgerekte ligging langs een kanaal met lintbebouwing. In de veenkoloniën bestonden grote sociale verschillen. De hoogste sociale laag bestond uit veenbazen. Deze hadden grote stukken moeras opgekocht en lieten deze door arbeiders ontginnen. Boeren maakten de tweede sociale laag uit. Deze kwamen als het veen ontgonnen was. Veel veenarbeiders werden daarop landarbeider. De derde sociale laag bestond uit turfschippers en hun families. De onderste sociale laag bestond uit veen en landarbeiders, scheepsknechten en scheepsjagers. De gravers van de kanalen kenden een eigen hiërarchie. De vele kilometers werden met de hand gegraven. De man die onderin stond op de bodem van het kanaal stond het laagste in aanzien en verdiende het minst. De middelste man iets meer en de man die boven aan de wal stond had het meeste aanzien en verdiende dienovereenkomstig. Uit de wereld van het kanalen graven komt dan ook de term 'hogerop komen'. |
| Veenkussen | Gebied waar het veenoppervlak onder invloed van het regenwater een bolvormig oppervlak heeft gekregen. |
| Veenmosveen | Veenlaag in hoogveengebieden onder de grauwveen / witveen laag, levert zwarte turf of steekturf en is geschikt als brandstof. Wordt ook zwartveen genoemd. Zie droge vervening. |
| Veenplas | Watervlakte die is ontstaan door het systematisch wegbaggeren van het voormalige veendek, soms later weer ingepolderd (als droogmakerij). |
| Veenpolder | Polder die ontstond doordat laagveengebieden door na inklinking onder zeeniveau kwamen te liggen waardoor bedijking noodzakelijk werd. Zie ook zeekleipolder en droogmakerij. |
| Veenput | Min of meer rechthoekige veenplas in een veengebied, ontstaan door het afgraven of wegbaggeren van veenaarde |
| Veenrivier | In een laagveengebied ontstaan traagstromend riviertje, b.v. Gein, Amstel en Zaan |
| Veenrug | Zavelig gebied met weinig veen en dus weinig klink (Zuidwest-Nederland) |
| Veenschap | Publiekrechtelijk lichaam in Drente en Friesland, belast met de ontvening van een gebied en het in cultuur brengen ervan. |
| Veenstobben | Zie Kienhout. |
| Veenstroompje | Stroompjes die overtollig water afvoerden van het dikke veenpakket dat ooit Holland bedekte. Bij het ontginnen van het veen in de Middeleeuwen bleven deze veenstroompjes vaak in tact. Tot vandaag de dag kan men in West-Nederland een aantal wateren aanwijzen, die van oorsprong een veenstroompje in het dikke veenpakket waren, zoals de Giessen, de Alblas, de Meije, de Angstel en de Vlist. Het veenpakket was tijdens de ontginning via deze veenstroompjes relatief gemakkelijk te bereiken. Men begon van daaruit dan ook de ontginning van het veen en bouwde er boerderijen langs. |
| Veentent | Slaapruimte waar de veenarbeiders 's zomers overnachtten. Vaak een houten schuur met rieten dak. In St. Jansklooster en Amstelveen zijn veententen gerestaureerd. |
| Veenterp | Verlaten huisterp in veengebieden, nog te zien als verhoging in het landschap in o.a. de Peizermaden in Drenthe. |
| Veerdam | Weg op een dijklichaam van de winterdijk naar de plek waar de veerpont aanlegt, om ook in tijden van hoog water droog de veerpont te kunnen bereiken. |
| Veerbel | Houten paal met bel, vaak onder een op de paal bevestigd afdakje, om de veerman te waarschuwen als men wilde overvaren. |
| Veerstoep, veerstal | Naar het water aflopende weg waar een veerpont aanlegt. |
| Veerverkaveling | Verdeling van een stuk grond in min of meer strookvormige percelen die van weerszijden onder een schuine hoek aanlopen op een van oorsprong natuurlijke waterloop; zie ook andere typen verkaveling |
| Veerooster | Rooster in een weg om vee in een weidegebied, of grazers in een natuurgebied, binnen het te begrazen gebied te houden. In bosgebieden wildrooster genoemd. |
| Veld (1) | Zuid-Nederlandse term voor es, bijeenliggende akkers, ook wel akker en soms kouter genoemd |
| Veld (2) | Heide (in Noord-Nederlands esdorpenlandschap) |
| Veldnaam | Vroeger had elke gebruikskavel, elk stuk onland en elke opvallende plek in het landschap zijn eigen naam. De komst van het kadaster (vanaf 1832) maakte daar een eind aan. Een ander woord voor veldnaam is toponiem. |
| Veldpad | Voetpaden die dwars door de velden of het bouwland lopen. Werden gebruikt om het land te ontsluiten, om waterlopen te onderhouden of als kerkenpad. |
| Veldspoor | Open, lichte spoorbaan, zie ook straatspoor. |
| Veldweg | Onverharde buitenweg. |
| Ven | Voedselarme plas op zandgrond, bijvoorbeeld heide, waarin veenvorming voorkomt. Er zijn twee mogelijkheden voor het ontstaan van een ven, een pingoruïne of een verstuivingskuil. In het eerste geval is het ven meestal diep (alhoewel het ven verland kan zijn); een ven ontstaan als gevolg van het verstuiven van het zand is meestal relatief ondiep. Grote aantallen vennen zijn er behalve in Drenthe, ook in Twente en Brabant. In Drenthe waren er ooit zo'n 3000, tegenwoordig zijn er daar nog ongeveer 900 van over. Ze worden daar meestal 'veentje', genoemd. In Noord-Brabant spreekt men over 'flaas', terwijl op de Veluwe de term 'fles' bekend is. Zie verder bij plas. |
| Venn | Oude benaming voor veen. |
| Venne | Laaggelegen weiland, in Noord-Nederland ook wel fenne genoemd. |
| Verboden kring | Gebied rondom een vesting waarbinnen niet gebouwd mocht worden en geen bomen mochten worden aangeplant. In 1814 werd bepaald dat gebouwen binnen een straal van 300 roeden (1200 meter) rondom een vesting mochten worden afgebroken in geval van nood. In 1853 werd de Kringenwet aangenomen, waarin om elke vesting drie kringen werden benoemd:
- In een straal van 0 - 300 meter mocht alleen van hout gebouwd worden en was een vergunning van het Ministerie van Oorlog vereist.
- Tussen 300 - 600 meter was een stenen fundament toegestaan.
- Tussen 600 - 1000 meter mocht wel van steen worden gebouwd, maar in geval nood moest het gebouw snel af te breken zijn.
De verboden kringen werden pas in 1951 opgeschort en in 1961 opgeheven. |
| Verbossing | Opkomst van bos op heide en stuifzandgebieden, met name grove den en Amerikaanse vogelkers. Deze worden vaak verwijderd om heide en stuifzandgebieden open te houden. |
| Verdronken hoogveen | Veen dat op basis van zijn ontstaanswijze hoogveen genoemd kan worden, maar dat door inklinking nu wat betreft hoogteligging tot het laagveen gerekend kan worden |
| Verhang | Gradiënt van de waterspiegel, waterstandsverschil (verval) per afstandseenheid. Zie ook debiet. |
| Verheelde kade | Maaiveld naast en achter een kade dat even hoog of hoger ligt dan de waterkering zelf. |
| Verhoefslagingspaal | Paaltjes die herinneren aan de vroegere organisatie van het dijkonderhoud (toen er nog geen waterschappen waren), waarbij iedere landeigenaar een stuk dijk (slag) moest onderhouden. De paaltjes op de Lekdijk bij Amerongen waren uniek door hun grote aantal maar zijn na de dijkverbetering niet teruggekeerd. |
| Verholen waterkering | Waterkering die niet duidelijk herkenbaar is als dijklichaam maar onderdeel is van een hoger gelegen gebied of zone. Een waterkering kan ook deels, bijvoorbeeld aan één kant, verholen zijn. |
| Verkaveling | Manier waarop de cultuurgrond in stukken (kavels) is verdeeld, we onderscheiden moderne rationele verkaveling (grote rechthoekige eenheden), strookverkaveling (lang en smal, al dan niet met bebouwing op de kavel) en blokverkaveling (kleinere rechthoekige eenheden). Zie verder bij de diverse typen:
|
| Verkavelingswetten | Diverse wetten betreffende verkaveling:
- 1886 Markewet: verdeling gemeenschappelijke gronden in de zandgebieden;
- 1924 Ruilverkavelingswet: gebaseerd op de gedachte dat het landelijke gebied een belangrijke productiefunctie heeft;
- 1938, 1948, 1953, 1954, 1975: Herziene Ruilverkavelingswetten;
- 1985 Landinrichtingswet: opvolger verkavelingswetten, naast doelmatigheid die aansluit op de agrarische belangen worden ook cultuurhistorische-, recreatieve- en milieubelangen behartigd.
|
| Verlaat | Kleine schutsluis in een kanaal. In Friesland en Groningen ook wel vallaat genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Verlanding [afbeelding] | Proces van landvorming in drassige gebieden met veel waterplaten waar afvoer van water stagneert, vooral in laagveenplassen. Plantenresten verteren slecht in een zompige omgeving door gebrek aan zuurstof. Verlanding begint met de groei van waterplanten als krabbenscheer. Soms ontstaan drijvende eilandjes, zogenaamde drijftillen. Als de natuur haar gang gaat ontstaat een moerasbos. Als er gemaaid wordt, trilveen. Als er alleen 's winters gemaaid wordt, rietland. Zie ook kragge. |
| Verlandingsvegetaties | Vegetatietypen op de grens van water en land, zoals drijftilvegetaties, moerasvaren- en veenmosrietland en trilveen. |
| Vermaning | Oude naam voor een doopsgezinde kerk. |
| Versperringen | Tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers aangelegde kunstmatige barrières om een doorgang te beletten of te controleren. Van veel versperringen zijn nog overblijfselen te zien in het landschap:
- Drahtseilsperre of draadversperring: Versperring bestaande uit twee betonblokken, die aan beide zijden van de weg werden geplaatst. Tussen deze blokken werden boven elkaar twee staalkabels gespannen. De breedte van de doorgang was groot genoeg om lichte pantservoertuigen door te laten. In Julianadorp kan men aan de Zanddijk bij Camping Oase nog het overblijfsel vinden van een Drahtseilsperre. Slechts het blok beton aan de duinzijde is daar bewaard gebleven, het andere blok is gesloopt om ruimte te bieden aan een wegverbreding.
- Eisenbahnschienensperre, spoorrailsversperring of aspergeversperring: Versperring bestaande uit twee betonblokken aan weerszijden van de weg. In deze blokken waren stalen 'I'-profielen gegoten, die onder een flauwe hoek richting vijand waren gericht. In de weg werden gaten aangebracht, die gewoonlijk waren afgesloten met houten deksels. In alarm toestand werden er echter losse "I" profielen in deze gaten geschoven, waardoor de weg geheel werd afgesloten. Aan de Groene Weg bij het voormalige vliegveld Bergen, vlak voor het Landgoed ‘De Karperton’, kan men nog een Eisenbahnschienensperre vinden. Een andere wegversperring van dit type bevindt zich tussen Julianadorp en Den Helder, net ten zuiden van de spoorwegovergang aan de Korte Vliet. Bij deze laatste zijn echter alleen de betonblokken overgebleven; de stalen balken zijn er vanaf gebrand.
- Eisenbahnsperre of spoorwegversperring: Versperring voor spoorlijnen. Bij Diemen bevindt zich aan de spoorbaan Amsterdam-Amersfoort nog het restant van een Eisenbahnsperre (niet te verwarren met de Eisenbahnschienensperre).
- Höckerlinie / Höckersperre of drakentandversperring: Veel gebruikte versperring bestaande uit vier en later vijf rijen piramidevormige blokken die in hoogte opliepen. Ze waren onderling met elkaar verbonden door een raamwerk van beton als fundament. Dit type versperring is nog te zien ten westen van Julianadorp (bij Bungalowpark De Zandloper), bij Camperduin (direct achter de Hondsbossche Zeewering), in Egmond aan den Hoef (ten noordoosten van het klooster aan de Heerenweg), in IJmuiden (op het Forteiland aan de zeezijde en bij de IJmuiderslag, aan beide zijden van de weg).
- Panzergraben of Festung IJmuiden te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. Wordt ook wel tankval of anti-tankkanaal genoemd.
- Panzermauer of Atlantikwall langs de Nederlandse kust. Op plaatsen waar geen tankval of anti-tankgracht gegraven kon worden, werd een twee meter hoge tankmuur van beton en ijzer gebouwd. In Noord-Holland is een aantal anti-tankmuren van het type Landfront (taps toelopend profiel met overhangende rand) overgebleven waarvan het gedeelte bij Midden Herenduin ten zuiden van IJmuiden het mooiste en langste is.
- Rollkörpersperre of rollichaamversperring: Variant op de Walzkörpersperre. Hier werd de weg afgesloten door twee betonnen schijven, die als reuzenwielen de weg op gerold konden worden.
- Walzkörpersperre of walslichaamversperring: Versperring bestaande uit twee rechthoekige blokken beton, die rechtop stonden. De voorzijden waren onderaan afgerond. Rollend over deze afgeronde zijde, konden deze betonblokken met een lier worden gekanteld, waarmee de weg effectief werd afgesloten. De Walzkörpersperre werd ook toegepast om spoorwegen af te sluiten. Er zijn in Europa vrijwel zeker maar twee Walzkörpersperren bewaard gebleven. Deze bevinden zich in Midden Herenduin ten zuiden van IJmuiden en op Het Kraansvlak ten noordoosten van Zandvoort (nummer 139, gelegen 1 kilometer landinwaarts ten hoogte van strandpaal 64, met officiële monumentenstatus).
|
| Verstuivingskuil | Plek in het heide gebied waar het zand verstoven is en een depressive gevormd is, waaruit vaak een ven is ontstaan. |
| Verticale berging | Peilen en grondwater fluctueren in aansluiting op de natuurlijke neerslag en verdampingspatronen. Een natuurlijk waterbeheer volgt hogere peilen in de winter en lagere peilen in de zomer. Zie ook horizontale berging, piekberging en seizoensberging. |
| Verval | Verschil in hoogte tussen twee aangrenzende waterspiegels, of het hoogteverschil van de waterspiegel tussen twee punten langs een rivier. Verval per afstandseenheid wordt verhang genoemd. Zie ook debiet. |
| Vervening, droge | Vervening van hoogveengebieden, levert lange bruine turf. Wordt ook wel afvenen of turfsteken genoemd. Bij de ontginning van het hoogveen gaat men als volgt te werk: Door het graven van sloten wordt een stuk hoogveen eerst oppervlakkig ontwaterd. Daarna wordt de bovenste aarde, de bonkaarde verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd, waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw en met name voor de aardappelteelt. Onder de bovenste laag ligt het grauwveen ook wel witveen genoemd. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Vervolgens bereikt men het zwartveen, het echte veenmosveen, dat de zwarte turf of steekturf levert. Dit is als brandstof geschikt. Het turfsteken werd gedaan door twee personen: een steker en een afschuiver. De steker (met een speciale scherpe kleine schop) stak meestal drie turven tegelijk en wierp ze in de kruiwagen. Als de kruiwagen bij 24 turven vol was, bracht de afschuiver ze naar de plaats waar de turven moesten drogen. De eerste rij turven werd vlak neergelegd; de volgende rij turven kwam er op hun kant naast te staan. Het was een hele kunst want de turf mocht niet breken en de turf mocht ook niet met de hand worden aangeraakt. Een goede steker kon wel 6000 turven per dag steken tegen een prijs van 2-3 cent per turf.. Na twee tot drie weken werden de turven zo danig opgestapeld dat de wind er van alle, kanten doorheen kon blazen. Deze 'stoeken' bestonden uit 6-8 turven. Na het drogen werden de turven op ronde stapels gezet, klaar voor vervoer. Als de vaste turf was weggestoken bleef er een drabbige massa over, kluun (mot) genoemd. Deze massa werd uit de kluungaten geschept en over een zo vlak mogelijk oppervlakte uitgespreid. Na het uitwateren en drogen werd deze kluun in broodjes gesneden en verder als turf verwerkt. Bij het 'klunen' kwam de steker vaak in aanraking met boomstronken, stobben. Een deel van het veen waar de veenlaag niet zo dik was dankt daaraan zijn naam: stobbenveen. |
| Vervening, natte | Vervening van laagveengebieden (onder de grondwaterspiegel), wat het korte zwarte turf opleverde. De bagger werd soms met voetkracht (klunen) gedroogd. Wordt ook wel uitvenen of slagturven genoemd. |
| Verhakking | Hindernis van omgehakte bomen of struiken. Zie ook versperring. |
| Verzilting | Toename van het zoutgehalte in het oppervlaktewater, grondwater of in de bodem |
| Vestingwet | Wet van 18 april 1874, waarin werd vastgesteld welke verdedigingslinies en vestingwerken deel zouden uitmaken van de landsverdediging en welke zouden worden opgeheven. 'Schadelijke vestigingen' zoals Groningen werden - vaak tot vreugde van de stedelingen - zo snel mogelijk ontmanteld. De wet gold tot 1926, pas daarna mocht in steen gebouwd worden in het schootsveld van een vesting. |
| Viemheupe, viemhoop | Twentse naam voor hooimijt of roggemijt. Een viem is een oogsteenheid. |
| Vijverlanden | Overblijfsel van een primitieve waterzuiveringsinstallatie uit de 17e en 18e eeuw. Om papier te maken was water nodig, zo’n 100 liter per kilo papier. Voor wit papier moest het water kristalhelder zijn. Petmolens (of putmolens) pompten daarvoor het water van grote dieptes op waarna het in een stelsel van gegraven sloten (de vijvers) werd geleid. Het vuil kon daarin langzaam bezinken. Om de laatste verontreinigingen uit het water te halen, werd het vlakbij de papiermolen nog gefilterd in een bak met zand en door een filter van vilten dekens gehaald. In de Zaanstreek zijn nog overblijfselen van dergelijke vijverlanden te vinden. |
| Vijzel | Werktuig voor het opvoeren van water, sinds 1634 in gebruik bij poldermolens. |
| Vingerling | Omringdijk om een funderingsput of dijkdoorbraak. |
| Vinkenbaan | Vanginrichting voor kleine vogels, veelal in de Hollandse duinen waar de vogeltrek langs komt. In de 18e eeuw had ieder buiten een eigen vinkenbaan met vinkenbaanhuisje (ter beschutting). De Vogelwet van 1912 verbood het vangen van vogels anders dan voor het houden in kooien. |
| Visbank | Verkoopplaats voor vis in de steden, gelegen aan het water en bestaande uit pilaren en een schuin dak. |
| Viskenij | Groningse benaming voor een visvijver, een bewaarplaats voor verse vis. De toevoeging 'ij' duidt op water. In Onderdendam is, achter het voormalige waterschapshuis gelegen, nog een viskenij te zien. |
| Vispassage, vistrap | Een smallere watergang die om een stuw heen loopt. In het zijslootje worden stenen gelegd in de vorm van een soort `traptreden`. Het water stroomt hierdoor langzaam `tree` voor `tree` naar beneden. Door die trage stroom kunnen vissen juist tree voor tree tegen de stroom in zwemmen. |
| Visvijver | Aangelegde vijver bij kasteel, klooster of op landgoed bedoeld om eetbare vis te kweken. |
| Vlampijp | Stellage die dient voor het affakkelen van restproducten bij de verwerking en winning van fossiele brandstoffen. |
| Vlasroterij | Industriële installatie voor de bewerking van vlas, vaak met ketelhuis en weegbrug. Vlas is een grondstof voor linnen en werd veel verbouwd in Friesland, Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen. Na het drogen van het vlas, werden de zaden uit de plant geslagen (daar werd lijnolie voor verf van gemaakt). Door vocht in te laten werken op de rest van de plant komen de vezels los, dit proces wordt roten genoemd. In Koewacht is er nog een vlasroterij te zien. |
| Vlechtheg | Heg waarbij door het ineenvlechten van takken en het 'afleggen' een dichte heg wordt gevormd die geschikt is als vee scheiding en als middel om wild buiten de akker of het erf te houden. Een goed gevlochten heg, dicht en vol doorns, keert en weert nog altijd meer ongewenste gasten dan gaas en prikkeldraad. Ze bieden ook onderdak aan vele vogels, insecten en zoogdieren. Een vlechtheg is vaak aangelegd op een houtwal. In het Drentse Roden is in 2008 weer een vlechtheg in ere hersteld. Wordt ook wel 'levend vlechtwerk' genoemd. |
| Vliedberg | Zeeuwse variant van een motte. Als veilige plek opgeworpen heuvel waar aanvankelijk een toren met twee verdiepingen op stond, de onderste voor opslag, de bovenste met woonvertrekken. Aanvankelijk waren de torens van hout, later van steen. Rond 1900 waren er zo'n 135 vliedbergen in Zeeland, de meeste op Walcheren. Er zijn geen torens behouden gebleven, maar op het beroemde tapijt uit Bayeux uit het jaar 1100 is nog te zien hoe de torens er uit zagen. Bij Lütjenburg (Duitsland) en Saint-Sylvain-d'Anjou (Frankrijk) zijn getrouwe reconstucties te zien van mottekastelen op een (vlied)berg. Zie ook werf en kasteelberg. |
| Vliegden | Alleenstaande den in een stuifzandgebied. |
| Vliet (1) | Stromend water. |
| Vliet (2) | Natuurlijke waterloop in getijdengebied (Kustgebied). |
| Vloeddeur | Hooggelegen deur waardoor het woonhuis in tijden van overstroming toegankelijk was, te bereiken via een vloedstoep. |
| Vloedgraaf | Gegraven watergang of gekanaliseerde beek in het Limburgse heuvelland, vaak ter ontlasting van andere beken. |
| Vloedkom | Een natuurlijke waterberging in tijden van hoogwater. |
| Vloedschuur | Stal die hoger ligt dan woonhuis waar het vee naar toe kon bij een overstroming |
| Vloedzolder | Zie waterzolder |
| Vloeiveld | Perceel dat bevloeid wordt door rioolwater met het doel om dit afvalwater te zuiveren. Niet te verwarren met een vloeiweide. |
| Vloeiweide | Stuk grond (meestal hooiland) dat periodiek kunstmatig wordt bevloeid met voedselrijk beek- of rivierwater. Wordt ook wel watering genoemd. Voor de introductie van kunstmest werden veel hooilanden op deze wijze bemest: 's Winters werd de beek afgedamd en over het weiland geleid, zodat het slib rustig kon bezinken. 's Zomers stroomde de beek in haar bedding. Het bekendste voorbeeld is Plateaux-Hageven, ten zuiden van Eindhoven, met Plateaux in Nederland en Hageven in België. Omstreeks 1845 werd hier een groot project uitgevoerd waarbij kalk- en mineraalrijk water vanuit het Kempens Kanaal werd aangevoerd dat op het hoogtepunt van het systeem een gebied van 2500 hectare hooilanden bevloeide. Er zijn diverse technische voorzieningen zoals dijkjes, greppels, sluizen en aan- en afvoerkanalen. De hoofdelementen van het bewateringssysteem zijn de bovensloot (regol) en de ondersloot die het water aan- respectievelijk afvoeren. De bovensloot is daartoe voorzien van dijkjes. De aanvoer geschiedt via een spijssloot, bijvoorbeeld vanuit een hoger gelegen kanaal, en het water wordt afgevoerd naar een nabijgelegen beek. Loodrecht op de boven- en benedensloot staan de doodlopende kleinsloten (fossé). Deze grenzen veldjes af die voorzien worden van een reeks hellende vlakken. Waar twee hellende vlakken boven samenkomen is een doodlopende zijsloot van de bovenkleinsloot die er eveneens loodrecht op staat: de bovenzouw. Waar de hellende vlakken beneden samenkomen ligt de onderzouw, die loodrecht op de onderkleinsloot en daarmee in verbinding staat. Het water sijpelt dan van de bovenzouw naar de onderzouw. Om een aanzienlijke oppervlakte te kunnen bevloeien is een heel stelsel van evenwijdig lopende sloten nodig. Niet te verwarren met een vloeiveld, waar rioolwater wordt gezuiverd. Zie ook zoeven. |
| Vlotbrug | Drijvende brug die in het geheel gezwaaid kan worden (b.v. in het Noord-Hollands Kanaal) |
| Vluchtburg | Rond, omwald en omgracht terrein in Zuidwest-Nederland. In tijd van gevaar kon een vluchtburg plaats bieden aan een deel van de bevolking. Een gaaf exemplaar is te vinden in Oost Souburg. |
| Vluchtheuvel | Podiumvormige heuvel, in de 19e eeuw aangelegd in het rivierengebied. Door hier grond voor af te graven uit de directe omgeving, ontstonden dellen, laaggelegen, waterrijke terreinen. |
| Vluchtpad | Pad naar de hoger gelegen achtererven van de bebouwing, waarvan bij hoog water van de rivier gebruik kan worden gemaakt. Vaak ook georiënteerd op de kerk, die op een verhoging (terp) is gebouwd. |
| Voedingskanaal | Kanaal ten behoeve van de aanvoer van water. |
| Voerdeeltype | Boerderijtype afgeleid van het hallehuis met een breed deel van waaraf het vee gevoerd wordt. |
| Volgerland | Tweede kwaliteit land (Zuidwest-Nederland), in tegenstelling tot hoofdland |
| Vonder | Losse brug over een sloot, soms uit niet meer dan een plank bestaand. |
| Voord(e), voirt, voort, foort | Doorwaadbare plaats in een rivier (of soms een moeras), meestal in een S-vorm, met de stroom mee. In Zuid-Limburg zijn er nog enkele. Komt nog voor in plaatsnamen als Amersfoort en Coevorden. In de Middeleeuwen telde Nederland slechts enkele bruggen over de grote rivieren (b.v. die over de Maas bij Maastricht en Cuijk), in de meeste gevallen werd gebruik gemaakt van overzetveren en doorwaadbare plaatsen (die er toen veel waren). Wordt ook wel foort genoemd. |
| Voorland | Buitendijks gebied of een diepe steile stroomgeul bij een schaardijk. Het voorland kan zowel onder als boven water liggen, en zelfs boven het toetspeil. Wordt ook wel vooroever genoemd. |
| Voorstraatdorp | Dorpstype van de Zuid-Hollandse eilanden, uit de 15e en 16e eeuw, met de voorstraat haaks op de dijk, het centrale element en de marktplaats, b.v. Oud-Beijerland; andere dorpstypen in dit gebied zijn de kerkringdorpen en de ringstraatdorpen |
| Voorwetering | Gegraven watergang die het die het voorste deel van een polder doorsnijdt |
| Vorst | Bos, vaak banwoud |
| Vreding | Zie eswal. |
| Vrije opstek | Vorm van ontginning waarbij de boeren hun kavelsloten vrijelijk in het veen konden verlengen, waardoor zeer lange strookvormige percelen zijn ontstaan; zie ook andere typen verkaveling |
| Vroon | Grondheer, vaak vertegenwoordigd door een meier. |
| Vroonhof | Landgoed van een landheer (vroon). |
| Vroonland, Vroonte | Land van de landheer (vroon) waarop horigen herendiensten moesten verrichten. |
| Vroongronden | Zacht golvende duinen in Zuidwest-Nederland, functioneerden als schraal duingrasland, zie ook haaimeten |
| Vroonte | Gemeenschappelijke woeste grond, andere term voor gemeynt(e), duidt op grondheerlijke oorsprong (vroon = heer) (Zuid-Nederland) |
| [begin pagina] |
| Waaiersluis | Sluis met sluisdeuren in de vorm van een ellipssector, waardoor ze bij elke waterstand gemakkelijk te openen zijn. Zie verder bij sluis. |
| Waaierverkaveling | Verdeling van een stuk grond in min of meer strookvormige percelen die naar achteren toe samenkomen in één punt, meestal bij het begin van een voormalig veenstroompje (b.v. de polder ten westen van Nieuw Loosdrecht); zie ook andere typen verkaveling. |
| Waai | Wiel |
| Waakhuis | Huis langs een dijk waar tijdens hoogwater het dijkleger werd gehuisvest. Ook werden hier dijkbewakingsmaterialen zoals zandzakken, scheppen, lantaarns en kruiwagens, opgeslagen. Voorbeelden zijn waakhuizen De Noord en Borreveld langs de Neder - Rijn tussen Amerongen en Wijk bij Duurstede. De opslagplaats wordt ook wel dijkmagazijn genoemd. |
| Waakhuispaal | Manshoge stenen palen geplaatst bij boerderijen die verplicht waren het dijkleger te huisvesten. |
| Waard, weerd, werth | Gebied aangeduid dat aan alle kanten omringd is door oude en jonge rivierlopen, riviereiland. |
| Waardeel | Aandeel van een markegenoot in de cultuurgrond van de marke. Zie marke en gemeynte. |
| Wad | Ondiepe zee in een reliëfarm kustgebied, met een bodem van fijn los materiaal, een sterke getijdenwerking en van de open zee afgeschermd door een rij waddeneilanden. Valt deels droog bij eb. |
| Wadi | Rivierdal in droge gebieden dat gedurende het grootste deel van het jaar droog staat. Gedurende natte periodes en regenbuien stroomt echter veel water door de wadi. Van oorsprong voorkomend in woestijngebieden, maar in Nederland inmiddels ook toegepast voor de afwatering in bebouwde gebieden. |
| Wak(k)erdijk | Dijk met een waterkerende functie, dit in tegenstelling tot de slaperdijk. Zie verder bij dijken. |
| Wal | Tot 16 meter hoge randen langs een stuifzandgebied, waar het zand wordt vastgehouden door boomwortels van oude zomereiken en ruwe berken. |
| Waldhufen | Boshoeve, lineaire nederzettingen met een aansluitende strookvormige percelering, ontgonnen uit bos en / of heide. |
| Wâldhúske | Kleine stenen landarbeiderswoning in de noordelijke provincies, verving vaak een spitkeet (plaggenhut). |
| Waldviehbauerntum | Agrarisch systeem tot ± het jaar 1000, waarbij de heide niet gebruikt werd, opgevolgd door het Heideviehbauerntum |
| Walmuur | Door steunberen ondersteunde buitenmuur van een vesting(stad), ook wel beermuur genoemd. In Wijk bij Duurstede zit een kraantoren in deze muur waar vroeger schepen mee gelost werden. |
| Ward, werd, weer, wier, wird, wierd, wurt | Zie Terp. |
| Was | Heideven waar de schapen gewassen werden, meestal ontstaan door regenwater dat op een harde grondlaag blijft staan. |
| Waskolk | Laaggelegen stuk land op de heide, door daling grondwaterstand meestal droog. Herders lieten vroeger hun kudde af en toe door de met water gevulde waskolk gaan om de schapen van parasieten te ontdoen. |
| Waterbeheer | Zorg voor water, bestaande uit:
- Beleid = Maken van beheerplannen;
- Feitelijk beheer = Aanleg van waterkeringen, watergangen en gemalen;
- Juridisch beheer = Verlenen van vergunningen.
|
| Waterbezwaar | Het in een polder gevallen regenwater en het door en onder de dijken naar binnen lopende kwelwater. |
| Waterbodem | Alle bodem die zich onder het wateroppervlak bevinden. De meeste van deze bodems worden in de loop van de tijd ondieper door sedimentatie van slib en plantenresten. |
| Waterburcht | Kasteelcomplex met hoektorens dat is omgeven door water. Aanvankelijk rond, maar vanaf de 13e eeuw vooral in rechthoekige vorm gebouwd. Voorbeelden van zijn het Muiderslot en Slot Loevestein. Zie ook kasteel. |
| Waterloopbos | Bos bij Marknesse in de Noordoostpolder. In de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw was het bos in gebruik door het Waterloopkundig Labaratorium. Voor o.a. de Deltawerken, de havens van Rotterdam en Lagos, zeewerende dijken in Suriname, etc. zijn proefopstelling op schaal in het bos nagebouwd. Het bos ligt 5 meter hoger dan de polder, wat handig is voor de aanvoer en afvoer van het water en de werking van de schaalmodellen. Na de komst van de computermodellen werd het bos in 1995 overbodig; sinds 2002 is het eigendom van Natuurmonumenten. |
| Waterpoel | Oude zijtak van een rivier in Zuid - Nederland en het Rijnland, bijvoorbeeld de oude zijtak van de Rijn bij Leiden. |
| Waterradmolen | Molen die door de kracht van stromend water via een waterrad wordt aangedreven. Als het water boven op het rad stroomt, is sprake van een bovenslagmolen, als het onderlangs het rad geleid wordt van een onderslagmolen. Een middenslagmolen is een tussenvorm. Soms is een molenvijver aangelegd boven de molen om bij watertekorten de molen te kunnen blijven gebruiken. Watermolens zijn vaak onderdeel van een sprengensysteem, zoals de papiermolens aan de Veluwezoom. |
| Waterschap | Publiekrechtelijke instelling tot uitoefening van een taak op waterstaatsgebied, draagt zorg voor het onderhoud van de dijken, de waterkwaliteit het waterpeil (keren en lozen van water) en de wegen in een poldergebied. Het bestuur wordt gevomd door een voorzitter, dijkgraaf genoemd, een algemeen bestuur (vergadering der ingelanden of hoofdingelanden) en een dagelijks bestuur (heemraden, hoogheemraden, dijkraden, enz.). De in 1992 van kracht geworden Waterschapswet van 1991 heeft de mogelijkheid geopend tot een bestuursvorm die overeenkomt met die van een gemeente of provincie. Hierbij krijgen, i.p.v. alleen de ingelanden, alle inwoners van het waterschap het recht om het algemeen bestuur te kiezen, met daaraan gekoppeld de plicht om waterschapsbelasting te betalen. Andere en oude namen zijn hoogheemraadschap of heemraadschap (Holland), zijlvest (Groningen), dijkschap, dijkcollege, polderdistrict en zuiveringschap. |
| Waterstaat | Overheidsdienst die belast is met de zorg over en het beheer van de waterstand, de waterlopen, bruggen, dijken, etc. |
| Waterstal | Stal waarvan de vloer hoger ligt dan het omliggende erf, zodat de stal ook veilig gebruikt kan worden bij hoogwater. |
| Watertoren | In een toren gebouwde watertank om de druk in het waterleidingnet constant te houden. In Nederland stonden ooit 260 watertorens, waarvan er nu nog 170 over zijn. De eerste watertoren was de watertoren van Den Helder in 1856. De functie van watertorens is grotendeels overgenomen door pompen en regelaars, maar de helft van de Nederlandse watertorens is nog in gebruik. |
| Waterval | Plaats waar stromend water door hoogteverschil naar beneden valt. Kan natuurlijk zijn maar is in Nederland vaak aangelegd. De hoogste waterval in Nederland is de Loenense waterval van 15 meter, een kunstmatige cascade in een uit 1869 daterende waterspreng in de bossen van het Schalter. De spreng bestaat uit twee delen die ieder ongeveer zes kilometer lang zijn (Vrijenbergerspreng en Veldhuizerspreng). |
| Waterzolder | Versterkte zoldering in het achterhuis van een boerderij voor de stalling van het vee bij overstroming, ook wel vloedzolder genoemd |
| Wed | Plas of ondiepe plaats in rivier waar vee gedrenkt wordt. |
| Weel | Zeeuwse naam voor een wiel, zie aldaar |
| Weer | Uitgeveend deel tussen de ribben (of zetwallen), ook wel petgat genoemd (b.v. Weerribben) |
| Wegdorp | Zie lintbebouwing |
| Wegeling | Verbindingsweggetje tussen de boerderijen en de (zee)dijken, kenmerkend voor onder meer Zeeland, bijvoorbeeld de Biesterhoekse Wegeling. Door ruilverkavelingen zijn veel van dit soort onverharde wegen verdwenen. Te vergelijken met de ringvormige combinatie van oude voet- en kerkenpaden, zoals het Terpringpad Wetsens. |
| Wegkruis | Kruis langs de weg in Rooms-Katholieke landsdelen, te verdelen in:
- Devotiekruis, een algemeen wegkruis;
- Memoriekruis, dat een heuglijke of noodlottige gebeurtenis gedenkt;
- Geloftekruis, dat herinnert aan een verhoord gebed;
- Missiekruis, dat verwijst naar een bezoek van een missionaris; en
- Hagelkruis, dat midden op de velden staat en beschermt tegen natuurrampen.
|
| Weidemolen | Klein molentje in Noord-Holland voor het onderbemalen van een weiland van het type wipmolen. Net als de spinnekop en de tjasker eigendom van een boer. Dit type molen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. Ook wel aanbrengertje genoemd. |
| Weiver, wuiver | Noord-Hollandse benaming voor levendig water, een riviertje of een waterloop, vaak dwars op de hoofdvaarten gelegen. Een voorbeeld is te vinden in de polder de Rondehoep in Noord-Holland. |
| Werf | Dorpsterp op het Zeeuwse oudland. Zie ook vliedberg, kasteelberg of motte. Ook op het Noord-Hollandse Marken heten de terpen, waar meerdere huizen op staan, werven. |
| Westwall | Duitse verdedigingslinie die vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gebouwd en loopt van Kleef, aan de Nederlandse grens, tot aan de Zwitserse grens. De Westwall heeft een lengte van meer dan 630 kilometer. De Geallieerde naam was Siegfriedlinie. |
| Wetering | (Gegraven) waterloop. Vooral bij de ontginning van laagveengebieden was het graven van een wetering belangrijk voor de ontwatering van het gebied. De wetering werd gegraven evenwijdig aan de ontginningsbasis, zoals een weg, dijk of oeverwal. Vanaf de ontginningsbasis werd het veen dan ontgonnen tot aan de eerste wetering. Vandaar kon het proces zich herhalen tot de aan de eerste wetering evenwijdig gegraven tweede wetering. Langs de wetering was vaak bewoning. |
| Wetlands | Natte natuurgebieden zoals uiterwaarden en laagveenmoerassen. |
| Wieden | Onder water gelopen verveend laagveen (Kop van Overijssel) |
| Wiek | Zijkanaal in het Veenkoloniale landschap |
| Wiel | Plaats waar na een dijkdoorbraak het water met grof geweld het land uitholde en een diepe put of kolkgat van soms wel tien meter diep achterliet. Omdat het lastig bleek deze gaten weer te dichten, werd er vaak een nieuwe dijk omheen gelegd. De waterplas bleef dan gewoon liggen. Vaak zijn ze idyllisch door huizen met tuintjes omringd en bijna altijd broeden er meerkoeten en futen. Rondom de wiel zijn overslaggronden te vinden, met veel fruitteelt. In het rivierengebied ook waai genoemd, daarbuiten ook kolk of, rond Amsterdam, breek. Het grootste is het Wiel van Bassa bij Leerdam. |
| Wierde [artikel] | Groningse benaming voor een terp. |
| Wierdijk | Dijk op het voormalige eiland Wieringen waarvan het aarden dijklichaam aan de zeekant versterkt is met een zogeheten wierriem, een dikke laag zeegras. Dit zeegras, dat geen wier, maar een zaadplant is, werd op het wad aan de noordkust van Wieringen geoogst. Het 'wier' werd onder water met aan elkaar gekoppelde zeisbladen afgemaaid en opgevangen met een net waarna het aan boord werd gebracht, en in de haven afgeleverd. Het materiaal werd daarna in sloten gewassen en ontzilt, en vervolgens gedroogd. De Wierdijk betreft een bijzonder stukje cultuurhistorie, nergens ter wereld zijn wierdijken dermate zichtbaar als op Wieringen (waarvan de naam overigens niets te maken heeft met de wierdijken). |
| Wiers | Strook op het hooiland waar het gemaaide gras na enkele dagen drogen op geharkt wordt, voor het op een hooiopper of hooiruiter verder droogt. Zie ook zwad. |
| Wijde | Ondiep meer |
| Wijk (1) | Vestigingsplaats, dorp |
| Wijk (2) | Zijkanalen van een hoofddiep in het veenkoloniaal landschap, tussenliggende afstand 50 à 200 meter, daartussen weer zwetsloten |
| -wijnen | Weide |
| Wijngaard | Aanplant van wijndruiven, komt vooral voor op de zuidhellingen in het Limburgse heuvelland. Het dunne laagje löss op de mergel warmt in de zomer snel op, wat de wijnbouw ten goede komt. |
| Wijst | Kwel die optreed als gevolg van een geologische breuklijn, met name de Peelrandbreuk. Zie wijstgronden. |
| Wijstgronden | Natte, meestal venige bodems gelegen op het hogere deel van de Peelrandbreuk, waar vlak onder het oppervlak ondoorlatende kleien voorkomen. De bodem aan de hoge of horstzijde bestaat hier namelijk uit grof zand dat in vroegere rivierbeddingen van Maas of Rijn is afgezet. De bodem aan de lage of slenkzijde bestaat daarentegen uit fijner zand, aangezien dat door de wind is afgezet. Ten gevolge hiervan stagneert de grondwaterstroom, aangezien die in het fijnere zand meer weerstand ondervindt dan in het grove zand. Dit bewerkstelligt dat het grondwater ter plaatse van de breukrand wordt opgestuwd en als kwel naar de oppervlakte komt. De Peelrandbreuk is een geologische breuktrede: een trede in het oppervlaktereliëf van de aarde die is ontstaan als gevolg van verticale bewegingen in twee naast elkaar gelegen schollen van de aardkorst. Wijstverschijnselen komen voor op de wijstgronden bij Uden en op landgoed De Stippelberg in Milheeze. |
| Wildbaan | Omheind jachtgebied. |
| Wildgraaf | Aarden wallen en sloten aangelegd in de eerste 500 jaar van de jaartelling, om bouwland tegen loslopende dieren te beschermen, komt o.a. in Garderen voor. Wordt ook wel eswal of vredinggenoemd. |
| Wildkansel | Hoge uitkijkposten aan de rand van voor het publiek toegankelijke wildgebieden. |
| Wildrooster | Rooster in een weg om wild of grazers in een natuurgebied, binnen het te begrazen gebied te houden. In poldergebieden veerooster genoemd. |
| Wildwal | Opgeworpen aarden wal op een landgoed om het wild buiten te houden, onder andere te zien bij Kasteel Maarsbergen. Meestal stond bovenop de wildwal nog een hek voor een nog betere bescherming, voorbeeld is de wildwal die liep ten oosten van Lunteren, Ede en Bennekom. |
| Wildwissel | Breed en begroeid viaduct waar wild een snelweg kan oversteken, bijvoorbeeld over de A50 tussen Apeldoorn en Arnhem. |
| Windkuil | Verlaging in het duin ontstaan door winderosie, vaak een voorstadium van een duinvallei en een paraboolduin |
| Windmotor, Amerikaanse | Amerikaans type windmotor dat na de Eerste Wereldoorlog werd geïntroduceerd, bestaande uit een windrad en een groot aantal wieken op een betonnen romp. Een voorbeeld staat in Weidum. |
| Windsingel | Bomenrij om de windkracht te breken. |
| Windveer | Sierplank langs de kanten van een rieten of pannendak om de voorrand af te dekken. |
| Winterbed | Hoogwaterbed van een rivier, tussen de winterdijken, waarbij de uiterwaarden ondergelopen zijn. |
| Winterdijk | Dijk op grotere afstand van de rivier die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming. De winterdijk is vrij hoog, omdat de waterstand van de rivier in de winter en vooral het vroege voorjaar hoog is ten gevolge van het smeltwater en de neerslag die vanuit het stroomgebied worden afgevoerd. Winterdijken liggen op enige afstand van de zomerdijk; het gebied tussen zomerdijk en winterdijk wordt uiterwaarden genoemd. Wordt ook wel bandijk genoemd. Zie verder bij dijken. |
| Wipmolen | Oudste type watermolen (ontwikkelde zich begin 15e eeuw uit de standerdmolen (korenmolen), voorzien van een scheprad (vijzel kwam pas na 1634), een klein type in Friesland heet spinnekop, een nog kleiner type in Noord-Holland weidemolen of aanbrengertje. |
| Wissel | Zelfgemaakt pad van wilde dieren in het bos. |
| Witte schimmel | Nieuwe woonwijken rondom oude dorpskernen, vaak witgeschilderd en zonder relatie met het omliggende landschap. |
| Witte wieven | Witte nevel boven de velden. In Twenthe en de Achterhoek werden hierin spookachtige grafheuvelbewoonsters gezien. Komen veel in sagen voor. |
| Witveen | Veenlaag onder de bonkaarde in hoogveengebieden. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Wordt ook wel grauwveen genoemd. Zie droge vervening. |
| Woerd | Huiskamp |
| Woerd(e) | Terp in het rivierengebied (b.v. Woerden) |
| Woeste gronden | Tot circa 1970 de benaming voor terreinen die geen direct nut opleverden, zoals heide, stuifzand, hoogveen en pas drooggevallen land. In 1888 werd de Nederlandsche Heidemaatschappij (het huidige Arcadis) opgericht met als doelstelling de ontginning van woeste gronden en de anaplant van bossen. Tegenwoordig worden de restanten woeste grond (heide, stuifzand) beschermd. |
| Wold(e) | Bos van elzen en wilgen in laaggelegen land (o.a. in Groningen) |
| Woonpad | In sommige streken liepen direct achter de boerderijen zogenaamde woonpaden. Ze vormden de voorgangers van de wegen die later de boerderijen met elkaar verbonden. De woongedeelten van de boerderijen staan aan deze paden. |
| Worth, wurt | Zie huiskamp. |
| Wüstung | Door de mens verlaten nederzetting. |
| [begin pagina] |
| Y | Water, verbastering van aa. ‘De Y’ werd later op enkele plaatsen ‘die’. |
| [begin pagina] |
| Zaagkuil | Gegraven kuil om boomstammen tot planken te kunnen zagen. |
| Zachthout ooibos | Rivierbegeleidend, meestal laag gelegen bos met boomsoorten als wilg en populier (bomen met zacht hout). Zie ook hardhout ooibos. |
| Zak- | Doodlopend. |
| Zand (1) | Verweringsmateriaal, minerale deeltjes met doorsneden van 0,05-2 mm. Bestaat voor het merendeel uit kwart |
| Zand (2) | Zie opwas |
| Zand (3) | Grondsoort; al naar gelang de korrelgrootte worden zand- en klei als volgt ingedeeld:
- grind: > 2000 mu;
- grof zand: 200 – 2000 mu;
- fijn zand: 50 – 200 mu;
- leem: 16 – 50 mu;
- slib: < 16 mu;
- lutum (klei): < 2 mu.
|
| Zanderijvaart | Vaart aangelegd om afgegraven zand te transporteren. Komen voor in de duinen en in de omgeving van Naarden. Om Naarden Vesting te voorzien van een vrij schootsveld is veel zand afgegraven, dat vervolgens gebruikt werd bij de bouw van Amsterdam (ophoging veenpolders). |
| Zandhonger | Proces van afbraak van schorren, slikken en zandplaten langs de kust. Dat komt door de aanwezigheid van stormvloedkeringen die bij zware storm en springvloed het binnenland beschermen tegen hoog water. |
| Zandlandschap | Landschap dat bestaat uit hogere delen, zoals stuwwallen en dekzandruggen, en lagere delen, zoals beekdalen en afvoerloze dekzandlaagten. |
| Zandmotor | Systematiek die een einde moet maken aan de jaarlijkse zandopspuitingen langs de Nederlandse kust. De zuid-noordgerichte zeestroming spoelt zowel zand weg, maar zet ook zand af. Hiervan kan gebruk gemaakt worden door extra zandsuppletie, waarna er natuurlijk een stuk kust aangroeit, of via een dam in zee, waardoor een extra stuk kust en een lagune ontstaat. |
| Zandpad, zandweg | Onderdeel van een in vroegere tijden uitgebreid stelsel transport- en verbindingswegen op de zandgronden. Door verharding en ruilverkaveling zijn in de 20e eeuw veel zandwegen verdwenen. |
| Zandverstuiving | Tijdens en na de laatste ijstijd (Weichselien) werd er in de oostelijke en zuidelijke delen van Nederland veel zand door de wind verplaatst. Er heerste toen een toendraklimaat in Nederland, waar de wind vrij spel had. Het zand werd als dekzand afgezet. Met het warmer worden van het klimaat, raakte deze zandruggen begroeid met ijl berkenbos. In de Middeleeuwen werden deze zandgronden ontgonnen. Door overbegrazing werd de ijle vegetatie steeds meer aangetast en verzandden de gebieden. De toenmalige bevolking trachtte dit onheil te keren door het planten van hagen en bosschages om het stuivende zand vast te houden. Dat lukte maar voor een deel, zandverstuivingen met plaatselijk hoge duinen waren het gevolg. In de negentiende eeuw stelde men alles in het werk om de stuivende duinen weer tot rust te brengen door middel van bebossing. Veel zandverstuivingen zijn toen voorgoed verdwenen, ze werden omgezet in bossen zoals bij het Kröller-Müllermuseum op de Hoge Veluwe. De twintig meter hoge duinen aldaar zijn de beboste restanten van een zandverstuiving. Andere gebieden, zoals de Loonsche en Drunensche Duinen in Noord-Brabant, ontsnapten aan bebossing. Zandverstuivingen zijn in Europa zeldzaam, ze worden hier ook wel Atlantische woestijnen genoemd. De ecologische omstandigheden komen in hoge mate overeen met die in woestijnen. De temperatuurverschillen zijn heel groot en er komen allerlei zeldzame planten en dieren (boompieper, tapuit en boomleeuwerik) voor die helemaal aangepast zijn aan deze extreme omstandigheden. |
| Zathe, zate | Ondergrond waarop een dijk gebouwd wordt, of het terrein dat gebruikt wordt voor de constructie van een zinkstuk. |
| Zavel | Grondsoort, meestal bestaande uit klei en 60-80% zand, zware zavel heeft een groter percentage klei dan lichte zavel, zie slib |
| Zeedijk | Dijk die direct grenst aan de zee en het achterliggende land tegen overstromingen door de zee moet beschermen. Vanaf de Middeleeuwen heeft met op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden steeds nieuwe zeedijken aangelegd om zo eerder verloren gegaan land terug te winnen. Nog steeds is op veel plaatsen een netwerk van oude zeedijken te vinden in het landschap. Op veel zeedijken in Zuidwest-Nederland zijn rijen bomen geplant. Door de kalkrijke klei die vaak voor het dijklichaam werd gebruikt, groeien op het talud vaak speciale kalkplanten (zoals meidoorns en egelantiers). Voorbeelden zijn de West-Friese Zeedijk die met een boog om Schagen heenloopt en de Slachterdijk in Friesland. Deze laatste dijk heeft langs een nu verlande oude zee-arm gelegen. Zie ook bij dijken. |
| Zeeboezem | Gebieden waar land is weggeslagen of overstroomd door een stormvloed |
| Zeedland | Zaailand. |
| Zeeg | Zie tocht. |
| Zeekleipolder | Door landaanwinningen ontstane polders in het noorden en zuidwesten van Nederland. Zie ook (laag)veenpolder en droogmakerij. |
| Zeereep | Eerste rij (jonge) duinen achter de zee, met een zeewerende functie, begroeid met helm en biestarwegras. |
| Zeeuwse schuur | Schuurtype op Goeree Overflakkee met alle deuren in de lange gevel. In de grote deur zit nog een kleine witomrande deur (klinket). |
| Zeeuwse stolp | Boerderijtype op Schouwen Duiveland, verdwenen sinds de watersnoodramp van 1953. |
| Zegge | Rietgras |
| Zelling | Gedeelte van een rivierbodem aan de dijk waar zich slib afzet, ondiep stuk van een rivier. |
| Zetwal | Smalle strook land tussen petgaten of weren waarop uitgestoken turf te drogen werd gelegd in Noordwest-Overijssel, elders ook wel ribben of legakkers genoemd |
| Zien(dijk) | Verbastering van zijdewende zijdewende |
| Zige zage | Zie slangenmuur. |
| Zijd(e)wende | Dijkje stroomopwaarts van het dorp waarvoor hij dienst doet, dwars op de hoofddijk, over enige afstand richting kom opgestrekt. Zie ook zuwe en ziendijk. |
| Zijkade | Dwars op een rivier aangelegd dijkje dat dient ter bescherming van stroomafwaarts gelegen land. Wordt ook wel dwarsdijk en zijd(e)wende genoemd. |
| Zijl | Uitwateringssluis in Noord-Nederland, elders ook wel spuisluis genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Zijlvest(enij) | (Oude) Groningse term voor een waterschap dat via sluizen in directe verbinding staan met de zee. |
| Zoel | Vochtige plek in het bos waar wilde zwijnen drinken en een modderbad nemen, vaak een veengat of in een vochtige leemkuil. |
| Zoetwaterlens | Zoet regenwater dat door een lagere soortelijke massa drijft op zout water in de duinen |
| Zoetwaterzak | Ondergrondse zoetwatervoorraad, die het zoute zeewater dat ook in de ondergrond doordringt, op grotere diepte houdt. Hiermee wordt verzilting van het hoger gelegen grondwater tegengegaan. |
| Zoeven | Bevloeiingsgreppels in een vloeiweide. |
| Zomerbed | Laagwaterbed van een rivier, tussen de zomerdijken, waarbij de uiterwaarden droogstaan. |
| Zomerdijk | Lage dijk of kade aan weerszijden van de rivier, die het gebied erachter beschermt tegen een overstroming in de zomer. De gebieden tussen de zomerdijken en de hogere winterdijken worden de uiterwaarden genoemd. Zie verder bij dijken. |
| Zomerhuis | Klein bijgebouw achter de boerderij dat in de zomermaanden in gebruik is. |
| Zompenvaart | Vaart die al in de 17e eeuw werd gebruikt door zogenaamde zompen, kleine vrachtzeilscheepjes (Twente) |
| Zoom | Rand, van bijvoorbeeld een bos. |
| Zoutkeet | Gebouw of schuur gebruikt voor de winning van zout uit veen, darinkdelven. Soms ook voor de productie en opslag van gebruikszout. |
| Zouttong | Zout water dat bij vloed terecht komt onder het lichtere, afstromend rivierwater. Zout water is namelijk zwaarder dan zoet water en kruipt als een soort zouttong onder het zoete water door. |
| Zoutgat [artikel] | Trechtervormige depressie als gevolg van ingestorte zouttunnels in de driehoek Enschede - Hengelo - Boekelo. |
| Zouttoren, zouthuisje [artikel] | Vanaf de jaren ‘30 werden in de driehoek Enschede - Hengelo - Boekelo met de buurtschap Twekkelo als centrum hoge donker geteerde houten boortorens gebouwd voor de zoutwinning. Inmiddels zijn deze torens vervangen door lage, houten, groene 'zouthuisjes' (bijgenaamd 'hondenhok') met een mobiele boorinstallatie. Bij de zoutwinning stroomt lauw water via kilometers lange leidingen naar de boorlocaties. Onder de 'zouthuisjes' zoekt het pompwater 400 meter diep contact met de 50 meter dikke zoutlaag. Met een zoutgehalte van 300 gram per liter water keert het mengsel terug naar de fabriek, alwaar grote verdampingsketels zorgen voor het scheidingsproces van zout en water. |
| Zudden | Als brandstof gestoken heideplaggen (Noord-Nederland) |
| Zuwe | Dijk dwars op de hoofddijk (o.a. Baambrugse Zuwe bij Vinkeveen), zie ook zijdewende en ziendijk |
| Zwaag | Weiland (West-)Friesland), bijvoorbeeld Beetsterzwaag. |
| Zwaaikom | Verbreding in kanalen en vaarten waar schepen konden keren. |
| Zwad | Strook op het hooiland waar het hooi direct na het maaien de eerste dagen te drogen ligt, voor het op een wiers geharkt wordt. |
| Zwarte turf | Veenlaag in hoogveengebieden die als brandstof geschikt is. Wordt ook steekturf genoemd. Zie droge vervening. Zie droge vervening. |
| Zwartveen | Veenlaag in hoogveengebieden onder de grauwveen / witveen laag, levert zwarte turf of steekturf en is geschikt als brandstof. Wordt ook veenmosveen genoemd. Zie droge vervening. |
| Zwerfkei, -steen | Steen die door gletsjers tijdens de ijstijden is aangevoerd. De meest zwerfkeien in Nederland komen oorspronkelijk uit Scandinavië. |
| Zwetsloot | Kanaaltje tussen wijken in hoogveenontginningslandschap |
| Zwin | Getijdegeul. |
| Zwinkuil | Kuil in het zand op het strand die alleen bij laag water te zien is. |
| [begin pagina] |