Het Nederlandse Landschap
Verlanding
Als de natuur haar gang kon gaan, zou op den duur al het stilstaande zoete water door verlanding en veenvorming worden omgezet in land. Deze processen treden op doordat afgestorven plantenresten niet volledig worden afgebroken, maar overgroeid raken door nieuwe planten. Onder de nieuwe vegetatie ontstaat een zuurstofloos, zuur milieu waardoor oude plantenresten als het ware worden geconserveerd. Afhankelijk van het soort water dat wordt aangevoerd (voedselarm of voedselrijk, met of zonder mineralen, stromend water of neerslag) ontwikkelt zich telkens een ander type vegetatie. In ondiepe veenplassen zullen vooral riet, kleine- en grote lisdodde, krabbescheer en verschillende soorten biezen tot het verveningsproces bijdragen. In een later stadium, als de grond stevig genoeg is geworden voor boomgroei, zullen ook els, berk en diverse wilgensoorten van belang zijn. In dieper water zullen vooral ondergedoken waterplanten zoals chard-soorten en fonteinkruiden voor ophoging van de bodem zorgen. Een bijzonder fenomeen in het verveningsproces zijn het ontstaan van drijftillen. Dit zijn stukken ‘schijnland’ die op het water drijven en met plantenwortels aan de bodem vastzitten. Grote planten als waterscheerling, cyperzegge en watereppe, omgeven door kleinere planten zoals moerasandoorn en blauw glidkruid, versterken de indruk dat er sprake is van een stevig stuk land.