Vestingwerken

stadsrechtverlening
woordenlijst vestingwerken

Het Nederlandse Landschap

Vestingwerken in Nederland

De Koppelpoort in Amersfoort met kantelen en een mezekouwDe eerste versterkte plaatsen in de Nederlanden werden aangelegd door de Romeinen, de zogenaamde castra. In de nabijheid van een castrum ontstond soms een nederzetting. In de Middeleeuwen werden de steden verdedigd vanaf aarden wallen met grachten, palissades en houten poorten. Later werden dit veelal stenen muren met stenen torens. Sommige steden hadden een dubbele ommuring, de buitenste lager dan de binnenste, waartussen een rondweg liep. Torens en muren werden voorzien van kantelen en mezekouwen om pek, kokende olie, stenen of afval door naar beneden te gooien. Mezekouw is een verbastering van het Franse woord 'machicoulis'.

Fort Rammekens bij VlissingenBij het in onmin raken van het middeleeuwse bouwsysteem kwam het bastion in gebruik, een in drie fases ontwikkelde Italiaanse uitvinding. Men spreekt van het Oud-Italiaanse bastion, een overgangsvorm, en het Nieuw-Italiaanse bastion. Vanaf de dertiger jaren in de 16e eeuw waren veel Italiaanse bouwmeesters werkzaam in de Nederlanden. De stadswallen van Antwerpen (1540) en fort Rammekens bij Vlissingen (1547) ontstonden in deze tijd. Een citadel, zoals gebouwd in Antwerpen, was net als een fort een aan alle kanten zelfstandig te verdedigen legerplaats uitsluitend betrokken door soldaten en vaak in een vijfpuntige stervorm gebouwd. De citadel van Antwerpen was model voor die van Vlissingen en Groningen en vijfhoekig qua grondvorm. De zwaargemetselde Italiaanse verdedigingswerken waren echter niet geschikt voor de drassige Nederlandse bodem. Zodoende werd door Nederlandse ingenieurs een nieuw systeem ontwikkeld, aangeduid als het Oud-Nederlandse stelsel.

Simon Stevin (1548-1620) was de grondlegger van het Oud-Nederlandse stelsel. Hij schreef onder andere het Castrametatio, wat legermeting betekent en betrekking had op het systematisch indelen van legerkampen zoals de Romeinen dit deden. Een gebastioneerd front bestaat uit een courtine met aangrenzend twee halfbastions (ook wel vestingfront geheten). Vanaf elk punt kon frontaal vuur afgeven worden, maar elk punt kon ook door eigen vuur worden gedekt. Ook kon de vijand in de flank worden beschoten. Het bereik van het eigen geschut was bepalend voor de lengte van de courtines en de onderlinge afstand van de bastions. Kenmerkend voor dit systeem zijn bastions, aarde wallen, (meestal) natte grachten, lunette, halve manen en ravelijnen.

vestingwerk
1 courtine
2 bastion
3 gracht
4 halve maan
5 ravelijn
6 enveloppe en gedekte weg
7 wapenplaats
8 bebouwing vestingstad

Aan de overzijde van de gracht werd een gedekte weg met wapenplaatsen aangelegd. De vandaaruit aflopende terreinstrook naar het maaiveld noemt men het glacis. De bloeiperiode valt van dit Oud-Nederlandse stelsel valt samen met de 80-jarige oorlog.

bastion
1 flank
2 face
3 saillant
4 keel
5 courtine

Bij het Nieuwe-Nederlandse stelsel zijn inundaties belangrijker en beter beheersbaar dan bij het oude stelsel. Forten en batterijen beschermen de waterkeringen en inlaatpunten en sluiten het te inunderen terrein niet af. Door nauwkeurige beheersing van het waterpeil, kon men het terrein enkele decimeters onder water zetten, zodat de vijand de wegen, greppels, sloten en waterwegen niet meer kon zien, maar het te ondiep was om te varen.

Naast het gebastioneerde stelsel zijn er nog twee andere, minder toegepaste stelsels: Het polygonale stelsel met een veelhoekige hoofdwal geflankeerd uit laaggelegen caponnières, werd in de 19e eeuw het belangrijkste stelsel. Het getenailleerde stelsel, dat een stervorm vertoont, is onder andere toegepast door M. van Coehoorn bij de linies voor Doesburg.

In de 20e eeuw werd het bouwen en onderhouden van vestingen zinloos door de ontwikkeling van nieuwe aanvalswapens.

Belangrijke jaartallen in de Nederlandse vestingbouwgeschiedenis:
1629-1755Aanleg Grebbelinie (van de Grebbe tot de Zuiderzee). Door de Grebbedijk bij Wageningen door te steken kon het terrein ten oosten van de linie onder water worden gezet. Op die manier zou het westen van Nederland beschermd zijn tegen de vijand. Om te voorkomen dat het water met een enorme vaart door de Vallei naar de Zuiderzee zou stromen, werden er keerkaden en damsluizen aangelegd. Om deze kades te beschermen zijn in 1799 verscheidene forten (werken) aangelegd. Vanaf de Rijn tot Bunschoten waren er elf kommen, die men in geval van gevaar vol water liet lopen.
1672-1816Oude Hollandse Waterlinie
1795Toen de Fransen ons land binnenvielen bleek de betrekkelijkheid van de Grebbelinie. Door de vorst waren de ondergelopen kommen bevroren en kon het Franse leger de linie zonder enige tegenstand innemen.
1815-1885Nieuwe Hollandse Waterlinie: Had hetzelfde doel als de oude, maar was moderner en lag oostelijker, waardoor ook Utrecht binnen de linie kwam te liggen.
1874Vestingwet
1874De Grebbelinie wordt een voorpostenstelling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
1880-1937Stelling van Amsterdam, die bestaat uit 42 werken in een cirkel met een omtrek van circa 135 km.
1926Einde Vestingwet: Er mocht vanaf nu met steen gebouwd worden in het schootsveld van de vesting.
1939De verwaarloosde Grebbelinie wordt in staat van paraatheid gebracht, maar kon nauwelijks weerstand bieden tegen de oprukkende Duitse troepen.
1963Deklassificatie laatste werk binnen de Stelling van Amsterdam.
bastion
Andere belangrijke linies waren o.a. de IJssellinie en de Grebbelinie

Voor een opsomming van alle Nederlandse steden, met het jaartal van stadsrechtenverlening, [klik hier].

Voor een woordenlijst betreffende begrippen uit de vestingbouw, [klik hier].