Het Nederlandse Landschap

Zoutproductie

In Delden werd in 1886 op een diepte van 566 meter voor het eerst zout in de Nederlandse bodem gevonden. Het bestaande drinkwater was toen slecht zodat men besloot verse bronnen aan te boren. Tot ieders verrassing kwam pekelwater en bijna zuiver steenzout naar boven. Door de vondst van grote zoutlagen bij Twickel kwam echter eerst in 1918 bij Boekelo de Nederlandsche Zoutindustrie (het latere Akzo) tot stand. Akzo begon in 1937 met het boren naar zout. Tegenwoordig gaat het grootste deel van de zoutproductie naar de industrie (o.a. chloorproductie), slechts een klein deel is voor consumptie.








Vanaf de jaren ‘30 werden in de driehoek Enschede - Hengelo - Boekelo met de buurtschap Twekkelo als centrum hoge donker geteerde houten boortorens gebouwd voor de zoutwinning. Inmiddels zijn deze torens vervangen door lage, houten, groene 'zouthuisjes' (bijgenaamd 'hondenhok') met een mobiele boorinstallatie. Bij de zoutwinning stroomt lauw water via kilometers lange leidingen naar de boorlocaties. Onder de 'zouthuisjes' zoekt het pompwater 400 meter diep contact met de 50 meter dikke zoutlaag. Met een zoutgehalte van 300 gram per liter water keert het mengsel terug naar de fabriek, alwaar grote verdampingsketels zorgen voor het scheidingsproces van zout en water. Bij het uitspoelen ontstaan zogenaamde holruimtes (cavernes) in de zoutlaag. Sinds de jaren ’80 gebruikt Akzo sonarapparatuur om verzakking van de bodem en instorting van cavernes te voorkomen. Bij de boringen tot die tijd ligt het anders: Akzo delfde vaak te lang op één plek waardoor er zwakke ruimtes gevuld met water achterbleven. Door de grote diepte en de elasticiteit van de bovenlaag duurt het gemiddeld twintig tot dertig jaar voordat er aan het aardoppervlak iets van is te merken. Er ontstaan meestal brede, vlakke kommen van hooguit drie meter diep. Tegenwoordig worden na 200.000 ton productie per boorgat de schachten opgevuld met beton om verzakkingen te voorkomen.